‘Eh... dat is het juist. Waarom heb jíj het mij niet verteld?’
‘Wat verteld, Omar? Er zijn zoveel dingen te vertellen.’
‘Nou, een heleboel. Wat me te wachten stond. Dat jij de Keizerin van het hele spul bent in de eerste plaats... voor dat je me met je over het zwaard liet springen.’
Haar gezicht veranderde niet maar er rolden tranen over haar wangen. ‘Ik zou kunnen antwoorden dat je het me niet gevraagd hebt —’
‘Ik wist niet wat ik moest vragen!’
‘Dat is waar. Ik zou naar waarheid kunnen verzekeren dat ik geantwoord zou hebben als je er naar gevraagd had. Ik zou kunnen aanvoeren dat ik je niet over het zwaard ‘liet’ springen, dat je al mijn tegenwerpingen van je afschoof, dat het niet nodig was me de eer van een huwelijk volgens de wetten van jouw volk aan te doen... dat ik een meid was waar je naar welgevallen mee naar bed kon gaan. Ik zou erop kunnen wijzen dat ik geen keizerin ben, niet koninklijk, maar een werkende vrouw met een baan die haar zelfs de luxe van nobel zijn niet toestaat. Dat is allemaal waar. Maar ik zal me er niet achter verstoppen. Ik zal je vraag beantwoorden.’ Ze ging over op het Neviaans. ‘Heer Held, ik vreesde zeer dat je me zou verlaten als ik me niet aan je wil onderwierp!’
‘Vrouwe Echtgenote, heb je werkelijk gedacht dat je ridder je in het uur van je nood zou verlaten?’ Ik vervolgde in het Engels: ‘Nou, dat doet de deur dicht. Je bent met me getrouwd omdat dat vervloekte Ei heroverd moest worden en Jouw Wijsheid je zei dat ik nodig was voor dat karwei — en ‘m wel eens zou kunnen smeren als je het niet deed. Nou, Uwe Wijsheid is niet pienter geweest op dat punt; ik ga er niet vandoor. Dom van me, maar ik ben halsstarrig.’ Ik begon op te staan.
‘Heer Geliefde!’ Ze huilde nu openlijk.
‘Neem me niet kwalijk. Ik moet een paar schoenen opzoeken. Kijken hoever ik ze weg kan werpen.’ Ik was zo onhebbelijk als alleen een man kan zijn wiens trots gekrenkt is.
‘Alsjeblieft, Omar, alsjeblieft. Luister eerst naar me.’
Ik slaakte een zucht. ‘Ga je gang.’
Ze greep mijn hand zo stevig dat ik vingers verloren zou hebben als ik getracht had me los te trekken. ‘Hoor me tot het einde toe aan. Mijn geliefde, dat was het helemaal niet. Ik wist dat je onze speurtocht niet zou opgeven voor het volbracht was of we dood waren. Dat wist ik. Niet alleen had ik rapporten gehad die jaren bestreken toen ik je nog nooit gezien had, maar we hadden samen blijdschap gekend en gevaar en ontberingen; ik kende je moed. Maar als het nodig was geweest had ik je kunnen omspinnen met een net van woorden, je kunnen overhalen toe te stemmen in alleen maar een verloving — tot na de tocht. Je bent romantisch, je zou er in toegestemd hebben. Maar lieveling, lieveling, ik wilde met je trouwen... je aan me binden volgens jouw wetten, zodat’ — ze zweeg om tranen terug te dringen — ‘zodat, wanneer je dat en dat en dat alles en de dingen die je ‘je speelgoed’ noemt zag, tóch nog bij me zou willen blijven. Het was geen politiek, het was liefde — romantische en onberedeneerde liefde, liefde voor je eigen lieve persoon.’
Ze verborg haar gezicht in haar handen en ik kon haar nauwelijks verstaan. ‘Maar ik weet zo weinig van liefde. Liefde is een vlinder, die neerstrijkt waneer het hem zint, vertrekt wanneer hij verkiest; hij wordt nooit door ketenen gebonden. Ik heb gezondigd. Ik heb getracht je te binden. Onrechtvaardig wist ik dat het was, wreed tegenover jou begrijp ik nu dat het is.’ Ster keek op met een bittere glimlach. ‘Zelfs Hare Wijsheid ontbreekt het aan wijsheid als het er op aankomt vrouw te zijn. Maar wat een dwaze meid ik ook ben, ik ben niet te halsstarrig om te begrijpen dat ik mijn echtgenoot onrecht heb aangedaan als ik er met mijn neus word opgedrukt. Ga, ga je zwaard halen; ik zal er over terug springen en dan zal mijn ridder bevrijd zijn uit zijn zijden kooi. Ga, Heer Held, terwijl ik er nog de kracht voor heb.’
‘Ga je eigen zwaard maar halen, kwaje meid. Dat pak rammel is al veel te lang uitgesteld.’
Plotseling grinnikte ze, een en al wildebras. ‘Maar, lieveling, mijn zwaard is in Karth Hokesh. Weet je dat niet meer?’
‘Deze keer zul je het niet kunnen voorkomen!’ Ik greep haar beet. Aan Ster heb je je handen vol, ze is zo glad als een aal en heeft verbijsterende spieren. Maar ik ben groter en ze stribbelde niet zo hard tegen als ze gekund zou hebben. Maar ik had toch ontvellingen en kneuzingen voor ik haar benen klem gezet had en haar een arm had omgedraaid. Ik gaf haar een paar flinke klappen, hard genoeg om van elke vinger een rode afdruk achter te laten en vond het toen welletjes. Zeg me nu eens, kwamen die woorden regelrecht uit haar hart — of speelde de pienterste vrouw in twintig universa toneel?
Later zei Ster: ‘Ik ben blij dat je borst geen prikkend bos is, zoals bij sommige mannen, schoonheid.’
‘Ik ben ook z’n mooie baby geweest. Hoeveel borsten heb je gecontroleerd?’
‘Willekeurige staaltjes. Lieveling, heb je besloten me te houden?’
‘Nog een poosje. Als je je goed gedraagt, natuurlijk.’
‘Ik zou liever gehouden worden omdat ik me slecht gedraag. Maar — nu je murw bent — als je dat bent — moest ik je maar liever nog iets vertellen — en een pak slaag krijgen als het niet anders kan.’
‘Dat wil je veel te graag. Eens per dag is het maximum, hoor je?’
‘Zoals U wilt, Heer. Jewèl, Baas. Ik zal morgenochtend mijn zwaard laten halen en dan kun je me op je gemak slaag geven. Als je tenminste denkt dat je me krijgen kunt. Maar ik moet je dit vertellen om het van me af te wentelen.’
‘Er ligt niets op je. Tenzij —’
‘Toe! Je bent bij onze geneeskundigen geweest.’
‘Eens per week.’ Het eerste wat Ster bevolen had was een zo volledig medisch onderzoek dat een legerkeuring erbij vergeleken oppervlakkig was. ‘De Opper-Pil houdt vol dat mijn wonden nog niet genezen zijn, maar ik geloof hem niet; ik heb me nog nooit zo goed gevoeld.’
‘Hij houdt je aan het lijntje, Omar — op mijn bevel. Je bent genezen, ik ben niet onbedreven, ik ben erg precies geweest. Maar — lieveling, ik heb het uit een egoïstisch oogpunt gedaan en nu moet jij me zeggen of ik weer wreed en onrechtvaardig tegenover je heb gehandeld. Ik geef toe dat ik het heimelijk heb gedaan. Maar ik heb het met goede bedoelingen gedaan. Ik weet echter, omdat ik dat als eerste les van mijn beroep heb geleerd, dat goede bedoelingen de bron van meer dwaasheid zijn dan alle andere oorzaken tezamen.’
‘Ster, waar klets je toch over? Vrouwen zijn de bron van alle dwaasheid.’
‘Ja, liefste. Omdat ze altijd goede bedoelingen hebben — en dat kunnen bewijzen. Mannen handelen soms uit berekenend eigenbelang, wat veiliger is. Maar niet vaak.’
‘Dat komt doordat de helft van hun voorouders vrouwen zijn. Waarom moest ik telkens weer bij de dokter op bezoek terwijl dat niet nodig was?’
‘Ik heb niet gezegd dat het niet nodig was. Maar jij denkt er misschien anders over. Omar, je bent al een eind op weg met Lang-Leven behandelingen.’ Ze keek naar me alsof ze gereed was te pareren of zich terug te trekken.
‘Nou breekt mijn klomp!’
‘Heb je er bezwaar tegen? In deze fase kan het nog teruggeschakeld worden.’
‘Ik heb er niet over nagedacht.’ Ik wist dat Lang-Leven op Centrum beschikbaar was, maar ik wist ook dat het strikt beperkt was. Iedereen kon het krijgen — vlak voor zijn emigratie naar een dun bevolkte planeet. Permanente bewoners moesten oud worden en sterven. Dit was één zaak waarbij een van Sters voorgangers zich met een plaatselijke regering had bemoeid. Centrum, waar ziekten praktisch overwonnen waren, waar grote welvaart heerste, dat een baken vormde voor ontelbare volkeren, was overbevolkt geraakt, in het bijzonder toen Lang-Leven de gemiddelde sterfte-leeftijd omhoog joeg. Deze strenge wet had de menigte uitgedund. Er waren mensen die al jong tot Lang-Leven overgingen, door een Poort traden en het er in de wildernis op waagden. Er waren er meer, die wachtten op die eerste steek die het besef van de dood met zich meebrengt en dan tot de conclusie kwamen dat ze nog niet te oud waren voor een verandering. En sommigen hielden zich kalm en stierven wanneer hun tijd gekomen was.
Читать дальше