Voorbij de eunuch betraden ze een omzuild binnenhof, met bleke klimop overwoekerd. In het maanlicht namen de bladeren de kleur van been en zilver aan. Daartussen bewogen zich de gasten, vele van hen hooggeplaatste Dothraki-ruiters, forse mannen met een roodbruine huid en beringde hangsnorren, hun zwarte haar geolied, gevlochten en met belletjes versierd. Maar er waren ook desperado’s en huurlingen uit Pentos, Myr en Tyrosh bij, een rode priester die nog dikker was dan Illyrio, harige mannen uit de Haven van Ibben en heren van de Zomereilanden met een huid zo zwart als ebbenhout. Daenerys bekeek hen allemaal vol verwondering… en besefte toen met een plotselinge steek van angst dat zij hier de enige vrouw was.
Illyrio fluisterde hun toe: ‘Die drie daar zijn Drogo’s bloedruiters. Die bij die pilaar is Khal Moro, met zijn zoon Rhogoro. De man met de groene baard is een broer van de Archon van Tyrosh, en de man achter hem is ser Jorah Mormont.’
De laatste naam viel Daenerys op. ‘Een ridder?’
‘Niet minder,’ Illyrio glimlachte in zijn baard. ‘Door de Hoge septon persoonlijk gezalfd met de zeven oliën.’
‘Wat doet hij hier?’ flapte ze eruit.
‘De usurpator eiste zijn hoofd,’ lichtte Illyrio hen in. ‘Een of andere onbeduidende belediging. Hij had een paar stropers aan een slavenhandelaar uit Tyrosh verkocht in plaats van ze aan de Nachtwacht te geven. Belachelijke wet. Iemand moet toch kunnen doen wat hij wil met zijn levende have?’
‘Voor de avond om is wens ik ser Jorah te spreken,’ zei haar broer. Dany merkte dat ze nieuwsgierig naar de ridder stond te staren. Het was een oudere man, de veertig gepasseerd en kalend, maar nog sterk, en in goede conditie. In plaats van zijde en katoen droeg hij wol en leer. Zijn tuniek was donkergroen, en er was een klimmende zwarte beer op geborduurd. Ze keek nog steeds naar die vreemde man uit het vaderland dat ze nooit had gekend toen magister Illyrio een klamme hand op haar naakte schouder legde. ‘Daar, liefste prinses,’ fluisterde hij, ‘daar is de khal zelf.’
Dany was het liefst weggerend om zich te verstoppen, maar haar broer hield haar in het oog en als ze hem mishaagde zou ze de Draak wekken, wist ze. Gespannen keerde ze zich om en keek naar de man die haar, naar Viserys hoopte, ten huwelijk zou vragen voor de avond om was.
Het slavinnetje had er niet ver naast gezeten, dacht ze. Khal Drogo was een kop groter dan de langste man in het vertrek, en toch op de een of andere manier lichtvoetig, gracieus als een panter uit Illyrio’s menagerie. Hij was jonger dan ze gedacht had, niet ouder dan dertig. Zijn huid had de kleur van gepolijst koper en om zijn dikke snor zaten gouden en bronzen ringen.
‘Ik moet naar hem toe om mijn onderdanigheid te betuigen,’ zei magister Illyrio. ‘Wacht hier. Ik breng hem naar u toe.’
Terwijl Illyrio naar de khal waggelde greep haar broer haar bij de arm. Zijn vingers knepen zo hard dat het pijn deed. ‘Zie je zijn vlecht, lieve zuster?’
Drogo’s vlecht was nachtzwart en zwaar van de geurige olie, volgehangen met kleine belletjes die zachtjes tinkelden als hij bewoog. De vlecht hing tot ver over zijn gordel, zelfs tot onder zijn zitvlak. Het uiteinde streek langs de achterkant van zijn dijen.
‘Zie je hoe lang die is?’ zei Viserys. ‘Als de Dothraki in het gevecht verslagen worden snijden ze uit schaamte hun vlecht af opdat de wereld weet heeft van hun schande. Khal Drogo heeft nog nooit één gevecht verloren. Met hem is Aegon de Drakenvorst weergekeerd, en jij zult zijn vorstin zijn.’
Dany keek naar Khal Drogo. Zijn gezicht was hard en wreed, zijn ogen waren koud en donker als onyx. Haar broer deed haar wel eens pijn als ze de Draak had gewekt, maar hij joeg haar geen angst aan en deze man wel. ‘Ik wil zijn vorstin niet zijn,’ hoorde ze zichzelf met een dun stemmetje zeggen. ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, Viserys, ik wil niet, ik wil naar huis.’
‘Naar huis?’ Hij bleef zachtjes praten, maar ze hoorde hoe razend hij klonk. ‘Hoe had jij naar huis gewild, lief zusje? Ze hebben ons huis van ons afgenomen!’ Hij trok haar de schaduwen in, uit het gezicht, en zijn vingers boorden zich in haar huid. ‘Hoe had jij naar huis gewild?’ herhaalde hij, en daarmee bedoelde hij Koningslanding, en Drakensteen, en het hele rijk dat ze verloren hadden. Dany had alleen maar hun kamers in Illyrio’s villa bedoeld, niet echt een thuis en toch het enige dat ze hadden. Maar daar wilde haar broer niet van horen. Hij had hier geen thuis. Zelfs het grote huis met de rode deur was voor hem geen thuis geweest. Zijn vingers groeven zich in haar arm en dwongen haar een antwoord af. ‘Ik weet het niet…’ zei ze ten slotte, en haar stem brak. Haar ogen schoten vol tranen.
‘Maar ik wel,’ zei hij vinnig. ‘Wij gaan naar huis met een leger, lief zusje. Met het leger van Khal Drogo, dat is hoe we naar huis gaan. En als je daarvoor zijn bruidsbed in moet, dan gebeurt dat ook!’ Hij glimlachte tegen haar. ‘Als het moest zou ik je door zijn complete khalasar laten naaien, lieve zuster, alle veertigduizend man en hun paarden erbij, als ik langs die weg aan mijn leger moest komen. Wees blij dat het bij Drogo blijft. Wie weet ga je hem wel aardig vinden. En droog nu je tranen. Illyrio is met hem onderweg, en hij zal je niet zien huilen.’
Dany keerde zich om en zag dat het zo was. Magister Illyrio, een en al pluimstrijkerij, leidde Khal Drogo naar hen toe. Ze veegde de niet vergoten tranen af met de rug van haar hand.
‘Glimlachen,’ fluisterde Viserys nerveus en zijn hand daalde af naar het gevest van zijn zwaard. ‘En rug recht. Laat hem zien dat je borsten hebt. De goden weten dat je toch al niet rijk voorzien bent.’
Daenerys glimlachte en rechtte haar rug.
De bezoekers stroomden de slotpoort door, een rivier van goud, zilver en blinkend staal, driehonderd man sterk, een fier leger van baandermannen en ridders, gezworen zwaarddragers en vrijruiters. Boven hun hoofden flapperde een twaalftal gouden banieren in de noordenwind, getooid met de gekroonde hertenbok van de Baratheons. Ned kende veel van die ruiters. Daar kwam ser Jaime Lannister, met haren die glansden als gedreven goud, en daar Sandor Clegane, met dat afschuwelijke verbrande gezicht. Die lange jongen naast hem kon, alleen maar de kroonprins zijn, en het onvolgroeide mannetje daarachter moest de Kobold zijn, Tyrion Lannister.
Maar de enorme kerel die geflankeerd door twee ridders in de sneeuwwitte mantels van de koningsgarde aan het hoofd van de stoet reed, leek Ned bijna een vreemde toe… tot hij met een welbekend gebrul van zijn strijdros sprong en hem tegen zijn borst drukte in een omhelzing die zijn botten deed kraken. ‘ Goden, wat ben ik blij om dat bevroren bakkes van jou te zien.’ De koning bekeek Ned van top tot teen en lachte. ‘Je bent geen zier veranderd.’
Had Ned maar hetzelfde kunnen zeggen. Veertien jaar geleden, toen ze eropuit waren getrokken om een troon te veroveren, was de heer van Stormeinde nog gladgeschoren, helder van oog, en gespierd als een meisjesdroom. Met zijn zesenhalve voet torende hij hoog boven zijn minderen uit, en als hij zich in zijn wapenrusting hulde en de enorme familiehelm met de geweistangen opzette groeide hij waarlijk uit tot een reus. Hij was ook zo sterk als een reus, en zijn favoriete wapen was een scherpgepunte strijdhamer die Ned nauwelijks kon tillen. In die dagen placht de geur van leer en bloed als parfum om hem heen te hangen.
Nu was het parfum dat als parfum om hem heen hing en was hij even breed als hoog. Ned had de koning zeven jaar geleden voor het laatst gezien, bij de opstand van Balon Grauwvreugd, toen de hertenbok en de schrikwolf gezamenlijk hadden afgerekend met de aanmatigende man die zich tot koning van de Ijzereilanden had uitgeroepen. Sinds de nacht waarin ze zij aan zij in Grauwvreugds gevallen vesting hadden gestaan en Robert de overgave van de opstandeling had aanvaard terwijl Ned diens zoon Theon als gijzelaar en pupil had meegenomen, was de koning minstens vijftig kilo aangekomen. Ter maskering van zijn onderkin en koninklijke hangwangen waren zijn kaken begroeid met een baard, zo ruig en zwart als ijzerdraad, maar niets kon zijn buik of de donkere wallen onder zijn ogen verhullen. Desondanks was Robert nu Neds koning en niet alleen maar zijn vriend, dus zei hij slechts: ‘Uwe Genade, Winterfel behoort u toe.’
Читать дальше