“O nee. Ik denk er niet over u nu uit deze kamer te halen. Trouwens, het schip is niets vergeleken bij jullie boeiende project op die planeet en dat kunt u ons net zo goed hier uitleggen als ergens anders. U wacht nu toch op een antwoord van uw agent. Uw robot is, veronderstel ik, al lang op de planeet. Misschien wilt u me meer vertellen hoe u die agenten daar bij elkaar kreeg. Mijn zoon zal wel in het schip rondgeleid willen worden, als iemand anders zich kan vrijmaken van zijn werk.”
“Zeker wel. Ik wist niet dat hij uw zoon was. Hij werd niet genoemd in het bericht over uw bezoek, dus ik veronderstelde dat hij een assistent was.
“Och, dat is in orde. Zoon, dit is dr. Heiven Raeker; dr. Raeker, dit is Aminadorneldo.”
“Heel prettig met u kennis te maken, meneer,” piepte de jonge Drommiër.
“Zeer vereerd. Als je even wacht zal iemand je door de Vindemiatrix komen rondleiden — of wil je liever hier blijven om deel te nemen aan het gesprek?”
“Nee, dank u. Ik zie liever het schip.”
Raeker knikte en een ogenblik wachtte hij zwijgend. Hij had al op de dienstknop gedrukt om een bemanningslid naar de observatiekamer te roepen. Hij vroeg zich af waarom de jongen met zijn vader mee was; misschien had het wel een bedoeling. Maar het was beter als hij er niet bij was, want Raeker kon de twee nauwelijks onderscheiden en het was nogal pijnlijk ze dooreen te halen. Voor mensen waren ze allebei reuzen. Op hun achterbenen — voor hen een hoogst onnatuurlijke houding — maten ze bijna drie meter. Ruwweg was hun bouw als van een wezel — of liever een otter, want de slanke vingers aan het eind van hun leden hadden vliezen. Kort en krachtig waren die ledematen, en de vliezen van de eerste vier waren beperkt tot strookjes langs de vingers — volmaakt natuurlijke evolutie voor amfibieën van een planeet, met een zwaartekracht van vier maal die op aarde aan de oppervlakte. Beiden droegen ze een tuig met kleine gastanks, en onopvallende buizen die naar hun mondhoek leidden. Ze waren gewend aan een partiële zuurstofdruk, driemaal groter dan wat een mens nodig had. Ze hadden geen haar, maar iets in hun huid suggereerde een glans als van nat zeehondenvel. Onbeschrijflijk ontspannen lagen ze op de vloer uitgestrekt, met hun hoofd hoog genoeg om de schermen goed te zien. Zodra de deur opengleed en er een man binnentrad, kwam een van hen overeind in een vloeiende beweging en volgde hem na een kennismaking naar buiten op de gang. Raeker merkte dat hij op alle tien leden liep, zelfs op die met de verkleinde vliezen (de grijphanden), al was dat nauwelijks nodig in de kunstmatige, centrifugaal opgewekte ‘zwaartekracht’ van de Vindemiatrix. Nou ja, de meeste mensen liepen op de maan ook met twee benen, al kun je daar best hinken. Raeker zette het van zich af en wendde zich tot de andere Drommiër — maar steeds hield hij een deel van zijn aandacht bij de schermen.
“U wilde meer weten van onze agenten,” begon hij. “In zekere zin valt er niet veel te vertellen. De moeilijkheid was in de eerste plaats om het oppervlak te bereiken. Die robot beneden betekent een enorm staaltje van werktuigbouw. Het klimaat ligt om de kritische temperatuur van water, met een atmosferische druk van achthonderd maal onze aarde. Omdat zelfs kwarts onder die omstandigheden behoorlijk gauw uiteenvalt, duurde het even voor we machines hadden ontworpen die dat uithielden. Het lukte uiteindelijk. Die daar is iets meer dan zestien jaar beneden. Ik ben bioloog en ik kan u niet helpen aan veel technische details. Als u wilt zijn hier anderen die dat kunnen.
“We stuurden de machine omlaag, verdeden haast een jaar met verkenning en vonden tenslotte kennelijk intelligente inboorlingen. Ze bleken eieren te leggen en we wisten een stuk of wat van die eieren te grijpen. De eieren kwamen uit en daar beneden is het resultaat; we hebben ze opgevoed. En nu, net nu we echte verkenningen kunnen beginnen, moet dit gebeuren.” Hij gebaarde naar het scherm, waar de geweldige Snel zijn onderzoek gestaakt had en nu scheen te luisteren. Misschien wist Nick zijn waar aan de man te brengen.
“Als u een machine het daar zo lang kan laten uithouden, zou ik denken dat u iets kon bouwen om zelf naar beneden te gaan,” zei de Drommiër.
Raeker lachte wrang. “Gelijk hebt u, en dat maakt de huidige toestand des te vervelender. We hebben haast zo’n machine klaar om af te dalen. We hadden gedacht over een paar dagen rechtstreeks met onze mensen beneden te kunnen samenwerken.”
“Echt? Ik denk dat zoiets ontwerpen en bouwen veel tijd gekost moet hebben.”
“Zo is het. Het probleem lag niet in het afdalen. Met de parachutes van de robot lukte dit aardig. De grote moeilijkheid is weer opstijgen.”
“Waarom zou dat zo moeilijk zijn? Als ik het goed begrijp is de zwaartekracht beneden nog minder dan op mijn planeet en zelfs het potentiaalverloop moet wat kleiner zijn. Elke stuwraket zou je redelijk moeten opheffen.” “Werkte dat maar. Stuwstelsels die enige uitstroomsnelheid bereiken tegen achthonderd atmosfeer zijn er nog niet. Ze smelten — ze blazen niet omdat de druk te hoog is.” De Drommiër keek even wat verbaasd op, toen knikte hij merkwaardig menselijk. “Natuurlijk, had ik kunnen bedenken. Ik herinner me dat raketten op uw planeet ook al beter werken dan op de onze. Maar hoe hebt u dat opgelost? Een radicaal nieuw reactortype?”
“Niks nieuws; alles aan het apparaat is eeuwenoud. In de grond is het een schip zoals lang geleden op mijn wereld werd gebruikt voor diepzee-verkenning. Bathyscaaf, noemden we zoiets. In de praktijk is het een luchtschip. Ik kan het wel beschrijven, maar u moet het liever —”
“Leraar!” Zelfs Aminadabarlee herkende Nicks stem die uit de luidspreker knalde. Raeker keerde zich snel naar zijn paneel en drukte op de microfoonknop.
“Ja Nick? Wat zegt Snel?”
“Eigenlijk nee. Hij wil niets met dit dorp te doen hebben. Alleen met jou.”
“Heb je hem dan de taalproblemen niet uitgelegd?” “Ja, maar hij zegt dat als ik zijn woorden al kon leren, dat jij dan, als mijn leraar, ze nog veel vlugger moet leren. Zo hangt hij niet af van mensen waarvan hij niet op aan kan of ze vertellen wat je zegt. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Hij wil ons wel hier laten, maar jij moet met hem mee.”
“Begrepen. Geef voorlopig maar toe: het zal de overlevenden van jullie tenminste verdere last besparen. In de nabije toekomst kunnen we Snel misschien nog een verrassing bezorgen. Zeg hem dat ik het doe; ik ga met hem mee naar de holen — ik denk dat hij morgen teruggaat, maar als hij langer wil blijven moet je dat niet tegenwerken. Blijf waar jullie bent als ze gaan. Zoek iedereen die nog leeft en lap ze op — ik geloof dat de meesten gewond zijn — en wacht dan tot ik contact met je opneem. Het kan wel wat duren, maar laat het aan mij over.”
Nick was nogal vlot van begrip en herinnerde zich meteen dat Fagin ’s nachts zonder vuur kon reizen; de regen smoorde hem niet. Hij dacht de bedoeling van de leraar te begrijpen; hij kon het niet helpen dat hij ernaast was, hij had nog nooit van een bathyscaaf gehoord.
Hij dacht even na. “Leraar!” riep hij toen. “Kunnen wij niet beter zo gauw mogelijk verhuizen en een andere plek afspreken om je te ontmoeten, als je vlucht? Hij zal zo zeker als de regen hierheen komen.”
“Maak je daar niet druk over. Gewoon hier blijven, en stel zo gauw mogelijk orde op zaken. Ik vind je wel.”
“Ook goed, Leraar.” Raeker leunde weer achterover en knikte traag.
De Drommiër had zeker heel wat keer op aarde verbleven; hij legde de houding van de man direct goed uit. “U lijkt me heel wat vrolijker dan een paar minuten geleden,” merkte hij op. “Ik neem aan dat u een uitweg ziet.”
“Ik geloof het wel,” zei Raeker. “Ik was de hele bathyscaaf vergeten tot ik hem daarnet noemde. Ik besefte toen meteen dat met hem daar eenmaal beneden al onze zorgen voorbij waren. Het nadeel van die robot is dat hij kruipen moet en dat zijn spoor kan worden gevolgd. De bathyscaaf, zouden de inboorlingen zeggen, kan vliegen. Hij heeft grijpwerktuigen en als de bemanning afdaalt kunnen ze gewoon op een nacht de robot opnemen en ermee wegvliegen van de rots. Dan valt er voor Snel niet veel spoor te zoeken.”
Читать дальше