“Nou, dat leek me wel. Ik dacht dat hoe meer mensen jij kende om de dingen te leren die jij ons wilt laten doen, hoe beter het er op werd.” Hij wachtte even, om Fagin gelegenheid voor een antwoord te geven.
“Dat klopt aardig,” gaf de stem van de robot toe, na de gewone tussenpoos. “Wat ging er mis?”
“Mijn antwoord kwam niet goed over, geloof ik. Ik vatte zijn voorstel op als een verzoek en antwoordde dat ik graag naar huis terug wilde om je te vragen of je de holmensen wilde helpen. De leider — zijn naam is Snel, in hun woorden; al hun namen betekenen iets — werd vreselijk kwaad. Blijkbaar verwacht hij dat je doet zoals hij zegt, zonder vragen of aarzelen. Dat had ik wel gemerkt maar ik was helaas wat traag in het toepassen van die kennis. Nou ja, ik begreep niet hoe hij kon denken dat jij zijn opdracht zou gehoorzamen.
“Ongelukkig genoeg denkt hij dat wel. En hij leidde uit mijn antwoord af dat jij en de anderen in ons dorp wel zouden weigeren. Als zoiets voorkomt denkt hij meteen aan geweld. En zodra hij mijn antwoord gekregen had begon hij een aanval op ons dorp voor te bereiden om je weg te voeren of je wilde of niet.
“Hij droeg me op hem te vertellen hoe je ons dorp kon vinden en toen ik dat weigerde werd hij weer kwaad. Iemand had een dode geit als voedsel gebracht en die lag vlakbij; hij greep het lijk en begon er vreselijke dingen mee te doen met zijn messen. Na een tijdje zei hij weer wat tegen me.
“Je ziet wat mijn messen doen,” zei hij. “Als de geit nog leefde, zou hij er niet door gedood zijn. Maar hij zou niet bepaald vrolijk zijn. Hetzelfde zullen we met jou doen als een nieuwe dag aanbreekt, tenzij je mijn vechters naar je dorp en de Leraar leidt. Het is nu te gauw donker om nog te ontsnappen; je kunt hier de hele nacht over nadenken. Morgenvroeg gaan we op weg naar je dorp — of je zult wensen dat dat gebeurd was.” Hij liet twee van zijn grootste vechters bij me blijven tot het ging regenen. Zelfs na al die tijd dat ik daar was, had niemand zich ooit na de regen buiten een hol gewaagd, dus ze lieten me alleen toen ik mijn vuren aanstak.
“Het duurde vrij lang voor ik wist wat ik zou doen. Als ze me doodden zouden ze je toch vroeg of laat vinden en dan zou je niet tijdig gewaarschuwd zijn; als ik met ze meeging kon het goed aflopen, maar ik had het niet op sommige dingen die Snel had gezegd. Het leek wel of hij het maar beter vond dat er niemand meer van ons in de weg liep als hij jou had gevangen. Dat wilde zeggen: wat ik ook deed, ik zou toch gedood worden — maar als ik zweeg was ik misschien de enige. Op dit moment dacht ik opeens aan reizen in de nacht. Ik liep dan evenveel kans dood te gaan, maar tenminste in mijn slaap — en er was een kansje dat ik het haalde. Er zijn toch heel wat dieren zonder holen of vuur die niet zo vroeg ontwaken als sommige vleeseters, en die toch in leven weten te blijven.
“Ik kreeg nog een idee: het dragen van vuur. We dragen vaak genoeg een stok met een brandend eind over korte afstand om de nachtvuren aan te steken. Waarom kon ik geen flinke voorraad stokken meedragen en voortdurend één die brandde? Misschien was zo’n vuur niet groot genoeg om me echt te beschermen, maar ik kon het proberen. En wat had ik te verliezen?
“Ik zocht zoveel van de langste stokken uit als ik dragen kon, stapelde ze op en wachtte tot twee van mijn drie vuren doofden door de regendruppels. Toen raapte ik mijn stokken op, stak er een aan bij het laatste vuur en maakte dat ik weg kwam.
“Nooit was ik er zeker van of die mensen wakker bleven in hun hol of niet — zoals ik al zei, het water bereikt ze niet — maar nu denk ik dat ze sliepen. Niemand merkte tenminste dat ik wegging.
“Weet je, ’s nachts reizen is lang zo kwaad niet als we altijd dachten. Het is niet zo moeilijk de regendruppels te ontwijken, als je genoeg licht hebt om ze te zien komen en je kunt genoeg hout meedragen om je lang van licht te voorzien. Ik moet goed dertig kilometer hebben afgelegd, en ik was nog verder gekomen als ik niet zo’n domme fout had gemaakt. Ik vergat mijn houtvoorraad aan te vullen tot ik mijn laatste stok liet branden en er was niets in de buurt dat er lang genoeg voor was. Ik kende de omgeving helemaal niet: ik was naar het westen gegaan, niet noord, om iemand uit de holen te misleiden als hij me had zien gaan. Zodoende werd ik gesmoord in een regendruppel een minuut nadat mijn laatste licht uitging. Het was zo langzamerhand laat genoeg, dus kon ik het spul niet meer inademen. Maar ik was de hele tijd op hoge grond gebleven dus ik werd ’s morgens wakker voordat iets me als zijn ontbijt had gebruikt.” Nick hield even op, en net als de anderen — behalve Fagin — zette hij zich in een gemakkelijker houding op zijn rustbenen toen de grond weer schudde. “Ik maakte een flinke ruime boog naar het westen, toen draaide ik weer naar het noorden en oosten om op huis af te gaan. Elk ogenblik verwachtte ik weer gegrepen te worden. Die lui zijn geweldige jagers en spoorzoekers. Iedere avond trok ik nog een paar uur na donker verder, maar ik hield tijdig halt om hout te zoeken en vaste vuren te stapelen voor mijn stokken uitgingen, na die eerste keer. De regen kreeg me niet meer te pakken en ik werd ook niet ingehaald. Toch zullen ze het dorp vroeg of laat vinden en ik vind dat we zo gauw mogelijk moeten verhuizen.”
Even viel er een stilte na het verslag van Nick; toen begonnen de dorpelingen te snateren, elk had een voorstel en niemand lette op wat een ander zei. Ze hadden heel wat trekken van de mens overgenomen. Dit rumoer ging een paar minuten door en alleen Nick wachtte zwijgend op commentaar van Fagin.
Eindelijk sprak de robot.
“Je hebt volkomen gelijk: de holbewoners zullen het dorp hier vinden. Ze weten waarschijnlijk al waar het is. Het zou stom van ze geweest zijn om je in te halen, zolang ze reden hadden te geloven dat je naar huis ging. Toch zie ik geen voordelen in weggaan: ze kunnen ons overal volgen. Nu ze van ons bestaan afweten gaan we ze heel gauw ontmoeten. “Ik wil niet dat jullie met ze vechten. Ik mag jullie allemaal graag en ik heb heel wat tijd besteed aan jullie opvoeding; ik wil jullie liever niet zien afslachten. Jullie hebben nog nooit gevochten — dat is één ding dat ik jullie niet kan leren — en jullie zouden geen kans maken tegen die stam. “Daarom wil ik, Nick, dat jij en iemand anders ze tegemoet gaan. Ze komen langs je spoor, dus je zult ze zonder moeite vinden. Als je Snel ziet, zeg hem dan dat we graag naar zijn dorp verhuizen, of dat hij hier mag komen wonen, en dat ik hem en zijn mensen alles zal leren wat hij wil. Als je hem duidelijk maakt dat ik zijn taal niet ken en dat hij jou nodig heeft om met me te praten, dan is hij wel handig genoeg niemand van ons kwaad te doen.”
“Wanneer moeten we beginnen? Nu meteen?”
“Dat zou het beste zijn, maar je hebt een lange reis achter de rug en je verdient rust. De dag is toch al grotendeels om en we zullen wel niet veel tijd verliezen als we je een nacht laten slapen voor je gaat. Ga morgenochtend.”
“Goed, Leraar.” Nick liet niet merken dat het vooruitzicht Snel weer te zien hem zenuwachtig maakte. Hij kende die wilde nu een paar weken en Fagin had hem nooit gezien. Maar de Leraar wist zoveel; hij had Nick vrijwel alles geleerd wat hij wist en een levenlang — tenminste, Nicks leven — was hij het hoogste gezag geweest in het dorp. Alles zou wel verlopen zoals Fagin voorspelde.
Het had zo kunnen zijn, als de mannen achter de robot de holbewoners niet grotelijk hadden onderschat in hun ervaring met spoorvolgen. Nick had niet eens de tijd in slaap te vallen naast zijn waakvuur toen de regen viel en de lichten waren ontstoken, of er klonk een verraste kreet, de stem van Nancy, vier vuren verder naar links. En een tel later zag hij Snel in eigen persoon, te midden van een rij van zijn grootste krijgers, die aan beide kanten onder om de heuvel trokken. Zwijgend waaierden zij de helling op, recht op hen toe.
Читать дальше