Na deze taak koerste de robot weg met de hoogste snelheid die hij kon volhouden. Tegen de tijd dat Altair opkwam en de lagere dampkring weer tot de gasfase verwarmde, waren de machine, de gestolen wapens en de ‘gekidnapte’ eieren ver van de krater en nog verder van het holendorp.
Nick werkte zich uit de hoge planten naar open terrein, hield stil en gebruikte een paar woorden van het soort dat Fagin nooit had willen vertalen. Hij was verbaasd en geërgerd toen hij water voor zich vond — het was nog vroeg — maar het was vervelend om het ook aan weerszijden te zien. Louter pech had hem blijkbaar over een schiereiland gevoerd en helaas kon hij deze keer niet op zijn schreden terugkeren.
Eigenlijk wist hij niet zeker of hij wel gevolgd werd natuurlijk, maar het kwam gewoon niet bij hem op daaraan te twijfelen. Na zijn vlucht had het twee dagen gekost om een zo verward en misleidend mogelijk spoor te maken. Hij was ver westwaarts afgebogen voor hij de weg naar huis insloeg en hij was net zo weinig geneigd als een mens, om toe te geven dat iets overbodige moeite was. Goed, hij had niet het geringste teken gezien van een achtervolging. Ondanks de gewone vertraging, opgelopen in ontoegankelijk terrein of door wilde dieren, had niemand van zijn vijanden hem ingehaald. De zwervende dieren en planten die je nooit helemaal ongestraft kon negeren hadden geen enkele belangstelling getoond in wat achter hem was. In de tijd dat ze hem gevangen hielden had de vijand zich een uitermate bekwaam jager en spoorzoeker getoond. Als je op deze feiten afging was er genoeg verontschuldiging voor zijn vermoeden, dat zijn vrijheid momenteel betekende dat ze hem niet volgden. Het was verleidelijk, maar zelf kon hij er niet in geloven. Ze waren er zo op gebrand geweest dat hij de weg naar Fagin zou wijzen!
Hij schrok op uit zijn gemijmer en bepaalde zijn aandacht weer tot de werkelijkheid. Theorieën waren nu toch nutteloos. Hij moest beslissen: of hij ging terug over het schiereiland en riskeerde zo een nieuwe gevangenneming, of hij kon wachten tot het meer droog viel en erop gokken dat ze hem niet inhaalden. Het was moeilijk uit te maken wat het gevaarlijkst was, maar een ding kon hij nagaan.
Hij liep naar de waterkant, bekeek de vloeistof nauwkeurig, en sloeg er toen hard op. De trage rimpels die langs de rand van het meer en naar buiten over het min of meer vlakke oppervlak schoven, interesseerden hem niet. Wel de druppels die zich losmaakten. Hij keek hoe ze langzaam op hem toezweefden en even langzaam daalden, en bemerkte tevreden dat zelfs de grootste al vervlogen voor ze het oppervlak weer raakten. Het meer zou blijkbaar niet lang meer duren. Hij ging zitten en wachtte.
Een trage bries stak op bij het ontwaken van de planten voor een nieuwe dag. Hij rook het. Gretig keek hij uit naar de gevolgen in het meer — geen golven, maar wervelende holtes in het watervlak die de overdrijvende, iets warmere luchtfronten erboven aangaven. Dat zou het teken zijn: daarna zou het niveau wel sneller dalen dan hij lopen kon. De wind hield de lucht bruikbaar voor ademhaling zolang hij het water niet te dicht naderde — ja, nu kon het niet lang meer duren: de plaats waar hij zelf stond lag al onder het niveau van bepaalde plekken in het meer. Het viel droog.
Het verschil nam toe en hij wachtte terwijl de rand spookachtig terugweek. Voorzichtig volgde hij tot een muur van water aan beide kanten over hem torende. Het begon erop te lijken dat het schiereiland eigenlijk een rug vormde dwars door het meer. Des te beter dan.
Feitelijk haalde het de overkant niet. Aan het eind moest hij nog een kwartier wachten tot de rest van het meer in lucht veranderde. In zijn ongeduld ademde hij het spul al haast te gauw na de verandering, maar hij redde het. Nog een paar minuten brachten hem bovenaan de helling bij de hoge plantengroei op de oostoever van het voormalige meer. Tussen de planten zou hij alleen de zwevers in de lucht kunnen zien, dus voor hij ertussen dook wachtte hij even om achterom te kijken over de droge bedding, naar het punt waar hij het water had bereikt — nog steeds geen achtervolgers. Nog een paar zwevers dreven zijn kant uit. Hij tastte naar zijn messen en dacht spijtig aan zijn verloren speren. Och, er was weinig gevaar te duchten van de zwevers achter hem, zolang hij met een behoorlijke vaart verder ging — dat moest hij dan maar doen. Hij dook tussen de struiken.
Het ging niet moeilijk; het spul was meestal buigzaam genoeg om opzij te duwen. Nu en dan moest hij zich een weg hakken en dat was vervelend, niet om de moeite, maar omdat hij dan een mes aan de lucht moest blootstellen. Messen werden wat schaars, en Fagin deed nogal gierig met het overschot.
De ochtend verliep, weer zonder dat hij achtervolgers zag. Grotendeels legde hij de weg ongewoon snel af, omdat er opmerkelijk weinig wild was — door de bank genomen waren er vier of vijf gevechten op de zestig kilometer, en nu maar een. Toch verloor hij meer dan de gewonnen tijd toen hij een ruwer terrein bereikte dan hij ooit zag. De heuvels waren scherp getand in plaats van rond. Hier en daar lagen rotsblokken en van tijd tot tijd deden ongewoon zware aardschokken deze omtuimelen. Hier moest hij steile wanden op- of afklimmen; daar zigzagde hij door angstig nauwe kloven — zonder de zekerheid dat de andere kant open was. Soms was die dan ook dicht en dan moest hij terug. Toch maakte hij ook hier een spoor, dat lag weer aan de planten. Maar toen hij dat terrein door was vond hij zijn achtervolgingswaan nog onzinniger. Als zijn ontvoerders hem echt daardoor gevolgd waren, verdienden ze het hem te vangen! Maar hoe vaak hij ook zijn aandacht achterom richtte, ze lieten zich niet zien.
Uren gingen voorbij en Nick trok zo snel mogelijk verder.
Een enkel gevecht had hij, maar het kostte nauwelijks tijd. Een zwever zag hem naderen en liet zich haastig naar de grond zakken om hem te onderscheppen. Een kleine was het, zo klein dat zijn eigen arm langer was dan de tentakels. Met een snelle houw van zijn mes opende hij genoeg gasblazen om hem hulpeloos spartelend achter te laten. Hij stak het wapen in de schede en rende door zonder vaart te verliezen; onderwijl wreef hij de arm die even geraakt was door het vergif van de zwever.
De pijn was alweer over en Altair stond hoog aan de hemel, toen hij tenslotte bekend terrein betrad. Al eerder had hij hier gejaagd, ver van de vallei. Hoe snel alles veranderde, het gebied was nog herkenbaar. Hij veranderde iets van koers en zetten een eindsprint in. Voor het eerst was hij er gerust op een verslag van zijn gevangenschap te kunnen uitbrengen. Voor het eerst ook besefte hij dat hij er geen had uitgedacht. Gewoon vertellen wat hij had meegemaakt, punt voor punt, zou wel te lang duren. Fagin en de rest moesten vooral vlug maken dat ze weg kwamen. Aan de andere kant moest hij de stand van zaken volledig uitleggen om de leraar van dat feit te overtuigen. Onwillekeurig ging Nick wat langzamer nu hij dit bedacht. Hij werd ruw uit zijn droom gerukt door de klank van zijn naam.
“Nick! Ben jij dat echt? Waar heb je gezeten? We dachten dat je een keer te vaak buiten had geslapen!”
Bij het eerste gerucht had Nick naar zijn messen gegrepen. Maar hij hield in toen hij de stem herkende.
“Johnny! Fijn weer gewoon te horen praten. Wat doe je zover weg? Hebben de schapen alles bij huis opgegeten?”
“Nee. Ik hoed niet, ik jaag.” John Doolittle werkte zich te voorschijn uit de struiken. “Maar waar heb je gezeten? Je bent al weken weg, en we zoeken je al lang niet meer.”
“Jullie zochten me? Dat is niet zo best. Maar ik denk dat het niets uitmaakt, anders had ik dat eerder gemerkt.”
“Hoe bedoel je? Ik weet niet waar je “t over hebt. Waarom zeg je dat het fijn is weer gewoon praten te horen? Welk praten is er nog meer? Vertel op.”
Читать дальше