Ze liepen verder, spraken er niet over. Het wilde gras knerste zwak onder hun voeten terwijl ze de glooiing beklommen in het grijze middernachtelijke licht van de Zwerver. Ze waren zich sterk bewust van de zee die de heuvels binnendrong — het hoogwater stond vijftig meter verder stil, en zijn golven beschuimden de heuvelwand — en van de Zwerver die in de hemel was binnengedrongen, of beter de ruimte van de aarde, en zijn eigen donkere, paarlen hemel had meegebracht, en van het vreemde dat het leven van de hele mensheid, van heel de aarde, was binnengedrongen.
Ze stapten op een lage stenen richel en vandaar naar een andere, en daar voor ze lag een platte, rechthoekige plaat grijze rots, zo groot als de doodskist van een reus. Margo spreidde er de deken op uit en ze knielden tegenover elkaar. Ze staarden elkaar intensief, zonder glimlach aan, of als hun lippen glimlachten dan was het wreed, verslindend. De perioden van stilte tussen de golven van de branding werden gevuld door het ritmische bonzen van hun hart, dat luider was dan het gestage zuchten van de zee zelf. De heuvels schenen dit bonzen te weerkaatsen, en op de maat te krimpen en uit te zetten, en de hemel scheen te resoneren. Margo ritste haar jasje open, legde er het momentumpistool naast, en bracht haar handen omhoog naar haar keel en begon haar blouse los te knopen, maar Hunter nam haar die taak uit handen, en zij werkte de vingers van haar rechterhand in zijn baard en maakte een vuist, omsloot de krinkelende haren, en drukte haar knokkels in zijn kin. Toen scheen de tijd stil te staan, of beter: zijn haastige beweging in een richting te verliezen: het werd een plek in de open lucht waar men rechtop stond, in plaats van een gang waarlangs men werd voortgedreven. De zee en de rotsen en de heuvels en de hemel en de koele, omhullende lucht en de brede, rijke planeet hoog boven hun kwamen allemaal op hun eigen wijze tot leven, werden het meubilair van de kamer die de geest is, of — juister — de geest reikte naar ze om ze te omhelzen. Des te meer Hunter en Margo zich bewust werden van hun lichamen en elkaar, des te meer, niet minder, intens werden ze zich bewust van alles om hun heen, het grootste en het minste, zelfs het minieme violette streepje, nauwelijks drie millimeter lang, in de schaalverdeling op de handgreep van het pistool — en bewust van ongeziene dingen zowel als zichtbare, het dode zowel als het levende. Hun lichamen en de hemelen waren één, de volgevreten zon maakte de donkere maancirkel het hof en werd er eindelijk door ontvangen. De jagende, geselende branding was in hen, en de zee met al haar deining, storm, en zekerheid van kalmte. De tijd rekte zich uit, ging met zwijgende tred voorbij, neuriede voor een keer eens niet een doodsformule maar laste de dood naadloos aan het leven. Het gouden lingambeest dat door het donkerpaars naar het oosten zwom werd de rug van de gouden slang die rond het gebroken ei lag gerold in de volgende uur-aanblik van de Zwerver — het vrouwelijke serpent dat met de mannelijke zaadbrenger streed, hem beknelde, en tenslotte verpletterde — terwijl rond de indringerplaneet de maanfragmenten glitterden en dansten zoals de miljoenen zaadcellen smekend, wedijverend, vurig rond het ovum dansen.
* * *
Don Merriam had Paul Hagbolt een kort verslag gegeven van zijn ervaringen in de ruimte en aan boord van de Zwerver. Het scheen de achtergrond te bevestigen van veel dat Tigerishka had verteld aan Paul en het deed weer iets van de stemming herleven die haar verhaal in hem had opgeroepen, hoewel hij nog steeds geschokt en gekwetst was door de daaraanvolgende ommekeer van haar gevoelens. Nu vertelde hij Don wat er met hem en Margo was gebeurd op de avond van de aankomst van de Zwerver — bij het congres van de schotelstudenten en bij de poort van Vandenberg en tijdens de aardbevingen — toen Tigerishka hem scherp in de rede viel.
‘Ophouden met babbelen, graag! Ik heb een paar vragen voor jullie.’
Ze stond bij het in het roze verscholen regelpaneel — en was vermoedelijk in stil contact geweest met haar meerderen. Paul en Don zaten op de roze vloer, waarover Miauw af en toe een snelle uitval deed van de ene bloemenweelde naar de andere — kennelijk zeer geïntrigeerd of in ieder geval gestimuleer door de gesimuleerde aardse zwaartekracht.
‘Zijn jullie twee wezens goed behandeld, hier en tijdens je omgang met mijn volk? Donald Merriam?’
Hij staarde haar aan, dacht eraan hoezeer ze leek, afgezien van de kleur van haar vacht, op de katachtige die hij een grote, topaaskleurige vogel had zien vangen en diens bloed zien drinken zoals een ballerina knabbelt aan een licht hapje na de voorstelling.
Hij zei: ‘Nadat ik van de maan ontsnapte — geheel door mijn eigen toedoen, voor zover ik weet — werd ik door twee van jullie schepen opgepikt, naar de Zwerver geëscorteerd, daar in een comfortabele kamer twee dagen vastgehouden, blijkbaar, en toen hierheen gebracht. Niemand heeft eigenlijk met me gepraat. Ik geloof dat mijn gedachten grondig bekeken en geïnspecteerd zijn. In een soort droomtoestand zijn mij een hoop zaken getoond. Dat is het ongeveer.’
‘Dank je. Nu jij, Paul Hagbolt, ben je goed behandeld?’
‘Wel…’ begon hij, met een vragende glimlach.
‘Een eenvoudig ja of nee is voldoende!’ zei ze kortaf. ‘Nou — ja.’
‘Dank je. Vraag twee: Hebben jullie bewijzen gezien dat jullie aardemensen hulp hebben gekregen tijdens hun moeilijkheden met de getijden?’
Paul zei: ‘Jij hebt me een paar dingen laten zien boven Los Angeles en San Francisco en Leningrad: branden die door regen werden geblust, vloedgolven die werden teruggedreven door een of ander afstotingsveld.’
Don zei: ‘Ik geloof dat ik televisiebeelden heb gezien van iets dergelijks in een grote zaal van de Zwerver tijdens mijn droom of visioen.’
‘Het was echt,’ verzekerde ze hem. ‘Vraag —’
‘Tigerishka,’ viel Paul haar in de rede, ‘heeft dit alles iets te maken met de twee sterrenfoto’s die niet horen bij de twee verkeerde aankomsten van de Zwerver uit de ultraruimte? Zijn jullie bang dat de achtervolgers jullie gaan inhalen, en bereiden jullie nu een verdediging voor van jullie daden hier?’
Don keek hem in verbazing aan — Paul had hem nog niets van Tigerishka’s verhaal verteld — maar ze zei eenvoudig: ‘Niet meer babbelen, aap — ik bedoel, wezen. Ja, dat is mogelijk. Maar vraag drie: Hebben je metgezellen geleden vanwege de Zwerver, voor zover je weet?’
Don zei ruw: ‘Mijn drie metgezellen op de Maanbasis werden gedood toen de maan uiteen brak.’
Ze knikte kort en zei: ‘Een van hun heeft het misschien overleefd — het wordt nagegaan. Paul Hagbolt?’
Hij zei: ‘Daarover was ik Don net aan het vertellen. Margo en de schotelmensen waren in orde toen ik ze voor het laatst zag — ik bedoel, ze waren in ieder geval nog in leven, maar hadden te kampen met een vloedgolf die jij op de een of andere manier kleiner had gemaakt. Maar dat was twee dagen geleden.’
‘Ze leven nog,’ beweerde Tigerishka. Haar paarse ogen flonkerden en ze plooide haar lippen in een dunne, humanoïde glimlach toen ze vervolgde: ‘Ik heb een oogje op ze gehouden — jullie stervelingen beseffen nooit hoe de goden zich om jullie bekommeren: alles dat jullie zien zijn de vloedgolven en de aardbevingen. Maar ik vraag jullie geen van beiden mij op mijn woord te geloven: ik zal het bewijzen! Ga staan, alsjeblieft, allebei, ik stuur jullie omlaag naar de aarde om het zelf te zien.’
‘Bedoel je in de Baba Yaga?’ vroeg Don toen ze gehoorzaamden. ‘Zoals je ongetwijfeld weet is die nu met een ruimtepijp aan deze schotel verbonden en ik had de indruk gekregen dat ik — ik bedoel dat wij, Paul en ik — die nu konden gebruiken om terug te gaan. Dat zal wel gaan met de Baba Yaga, geloof ik, als we boven de atmosfeer worden losgelaten, zonder een baansnelheid die dan weer moet —’ ‘Nee, nee, nee,’ onderbrak ze. ‘Dat komt pas later — over een uur of twee, ongeveer, en wel boven jullie Vandenberg Twee ruimteveld — dat nu trouwens slechts duizend kilometer onder ons ligt — maar nu stuur ik jullie daarheen op een veel snellere manier. Ga met het gezicht naar het regelpaneel staan! Dicht naast elkaar!’
Читать дальше