Onder de Tanu werd het solo gezongen of in een tweestemmig koor. Bij die zeldzame gelegenheden waar Tanu en Firvulag samen zongen, bijvoorbeeld gedurende een Grote Veldslag zoals die in De Gouden Halsring wordt beschreven, werd de volle pracht van deze buitenaardse zang pas werkelijk hoorbaar. Het Kleine Volk gebruikte andere woorden in hun eigen tongval en—wat belangrijker is—zij gebruikten ook een andere frasering en tenminste vier verschillende contrapuntische melodielijnen, die zich wrongen tussen en vermengden met het weefsel van de Tanu-melodie, waardoor een zeer geschakeerd en ingewikkeld veelstemmig effect ontstond. Ik moet het aan meer ervaren handen overlaten om een transcriptie te maken van het ‘Lied van de Firvulag’ en het muzikale huwelijk daarvan met de versie die door de Tanu werd gezongen.
Het traditionele ‘Londonderry Air’ heeft meer dan welke andere Ierse melodie ook een uiterst eigenaardig verleden. Het past nergens bij en de geschiedenis ervan, zoals die in detail wordt weergegeven door Anne G. Gilchrist in English Folk Dance and Song Society Journal (december 1932, blz. 115) is tamelijk ondoorzichtig. De muziek werd voor het eerst gepubliceerd in 1855 door George Petrie in Ancient Music of Ireland, zonder tekst en titel. Nadat de muziek door Petrie openbaar was gemaakt, bracht de schoonheid ervan veel componisten op het idee er een tekst bij te schrijven. De meest bekende en geslaagde versie daarvan is ‘Danny Boy’ (1913) van Frederick E. Weatherly. De meeste bloemlezingen van liedteksten geven echter de voorkeur aan de gezwollen taal van bijvoorbeeld Katharine Tynan Hinkson (1861) die als volgt begint: ‘Ik wilde in Godsnaam de tere bloesem zijn/diè zwevend van verwrongen takken valt/ oh te liggen en te bezwijmen aan die boezem van zijde/ binnen die boezem van zijde…’
Een even slecht te zingen tekst die echter iets waardiger klinkt, is die van ‘Emer’s Farewell to Cucullain’ (1882) met woorden van Alfred Percival Graves en een arrangement van C. Villiers Stanford. Dit begint als volgt: ‘O mocht een maagd haar diepst verlangen uiten/ aan hem die diep bemint maar niet mag spreken/ Helaas! ik sloot uw slechte faam niet buiten/ verborgen onder een lach is bloedend hart het teken.’
De originele melodie in Petries bloemlezing is afkomstig van ene juffrouw Jane Ross uit Limavady uit het Noordierse Londonderry. De dame had het zelf voor de piano bewerkt en aan Petrie gezonden met de simpele mededeling dat het ‘zeer oud’ was. Latere onderzoekers slaagden er jammer genoeg niet in de oorsprong ervan waar dan ook terug te vinden, laat staan iets van een Keltische tekst. Het feit dat het gebruikte metrum niet paste bij de Ierse volksliederen maakte de zaak nog meer verdacht en bracht sommigen ertoe te zeggen dat het in het geheel geen traditionele muziek was. Gilchrist slaagde er echter in verwanten van Jane Ross te vinden en die bevestigden dat zij de volksmuziek werkelijk ernstig had bestudeerd en daarin oprecht en toegewijd mocht worden genoemd. Ze verzamelde sommige melodieën zelf, andere kwamen van haar broer, een visser uit het nabijgelegen Donegal. Beide streken staan erom bekend dat daar veel van de oude Ierse cultuur bewaard is gebleven. Het ziet er dus naar uit dat we de mogelijkheid dat Jane Ross een van haar eigen composities voor een origineel volkslied wilde laten doorgaan, moeten schrappen. Het probleem van het ongewone metrum is vaardig opgelost door Gilchrist die suggereert dat Ross een vergissing heeft gemaakt bij de transcriptie door een vierkwartsmaat te gebruiken in plaats van de gewone driekwartsmaat of de zesachtste die doorgaans in oude Keltische liederen voorkomen. Wanneer het metrum in die zin wordt gewijzigd, wat inhoudt dat verlengde noten worden ingekort, krijgt men inderdaad een typisch Iers zangstukje van nogal opvallende alledaagsheid. Gilchrist beweert dat er overeenkomsten zijn met twee andere liederen, ‘The Colleen Rue’ en ‘An Beanuasal Og’.
Wanneer Jane Ross zich inderdaad vergiste, kunnen we haar alleen maar dankbaar zijn, want die ongewilde wijziging heeft dan muzikale onsterfelijkheid gebracht aan een melodie die anders snel vergeten zou zijn. Wanneer ze het volkslied echter foutloos heeft overgenomen, dan is de herkomst ervan nog steeds een mysterie. We kunnen dan enkel terugvallen op de fantastische beweringen die dit meeslepende lied toeschrijven aan feeën—wie dat dan ook geweest mogen zijn.