Een gebruik dat hij met liefde overnam was dat van de geverfde bakkebaarden. De mannelijke bevolking was boos over het feit dat, net als hun voorhuid, ook hun gezichtshaar door Degenen, die hen hadden doen verrijzen, voorgoed verwijderd was. Aan de eerste grove belediging konden zij niets doen, maar de tweede konden zij tot op zekere hoogte herstellen. Zij besmeerden hun bovenlip en kin met een donkere vloeistof die uit fijngemalen houtskool, visbeenderlijm, looistof en verschillende andere ingrediënten was gemaakt. De meer toegewijden gebruikten de verfstof als tatoeëermiddel en ondergingen een langgerekt, pijnlijk proces van scherpe bamboenaaldprikken.
Op deze wijze had Burton dus een extra vermomming, ofschoon hij zich had overgeleverd aan de genade van de man die hem bij de eerste de beste gelegenheid zou kunnen verraden. Hij wilde een Ethicus naar zich toelokken maar hij wilde niet dat de Ethicus zeker van zijn identiteit zou zijn.
Burton wilde er zeker van zijn dat hij tijdig zou kunnen ontsnappen voordat het net werd opgehaald. Het was een gevaarlijk spel, iets als het lopen op een boven een kuil met hongerige wolven gespannen touw, maar hij wilde het spel spelen. Hij wilde alleen dan er vandoor gaan als het absoluut noodzakelijk werd. Voor het overige wilde hij het wild zijn dat op zijn beurt jacht op de jager maakt.
Het visioen van de Donkere Toren of de Grote Graal lag evenwel steeds aan de horizon van iedere gedachte. Waarom kat en muis spelen wanneer hij misschien de sterkten van het kasteel zelf, waarin naar hij aannam de Ethici hun hoofdkwartier hadden, zou kunnen bestormen? Of, als bestormen niet de juiste uitdrukking was, de Toren zou kunnen binnensluipen en toegang zou kunnen krijgen zoals een muis in een huis... Of een kasteel. Terwijl de katten elders op de loer lagen zou de muis de Toren kunnen binnensluipen en eenmaal daar zou de muis in een tijger kunnen veranderen.
Bij deze gedachte moest hij lachen en trok de nieuwsgierige blikken van zijn twee hutgenoten, Göring en een Engelsman uit de zeventiende eeuw, John Collop genaamd. Zijn lach was ten dele zelfspot over het idee van de tijger. Hoe kwam hij er bij dat hij, één man, ook maar iets kon doen om de Scheppers van de planeet die miljarden doden hadden opgewekt, de Voeders en Onderhouders van de weer tot leven gewekten, te schaden? Hij wrong zijn handen en wist dat daarin en in de hersenen die ze bestuurden de ondergang van de Ethici kon liggen. Wat was dat vreselijke, dat hij in zich droeg en waarvan hij niet wist wat het was? Toch waren Zij bang voor hem. Als hij er alleen maar achter kon komen waarom...
Zijn lach was maar ten dele zelfspot. Zijn andere helft geloofde dat hij een tijger tussen de mensen was.. Wat een man denkt, dat is hij, prevelde hij.
Göring zei: ‘Je hebt een bijzonder eigenaardige lach, vriend, tamelijk vrouwelijk voor zo’n echte man. Hij klinkt als... als een rotssteen die over het ijs wordt gegooid of als een jakhals.’
‘Ik heb iets van een jakhals, een hyena, in me,’ antwoordde Burton. ‘Mijn lasteraars hebben dat beweerd... en zij hadden gelijk, maar ik ben meer dan dat.’
Hij stond van zijn bed op en begon lichaamsoefeningen te doen om de slaap uit zijn spieren te verdrijven. Binnen een paar minuten zou hij met de anderen naar een graalsteen aan de Rivieroever gaan en zijn graal vullen. Daarna zouden zij een uur politiedienst in het gebied verrichten en vervolgens exercitie, gevolgd door onderricht in het gebruik van de speer, de knots, de slinger, het zwaard, pijl en boog, de vuurstenen bijl en het gevecht met blote handen en voeten. Daarna een uur rust en wat conversatie en het middageten. Vervolgens een uur taalles, twee uur corvee als hulp bij het bouwen van de bolwerken die de grenzen van de kleine staat markeerden, een half uurtje rust en daarna de verplichte kilometerloop om de conditie op te voeren. Avondeten uit de gralen en ’s avonds vrij, behalve degenen die wacht moesten lopen of andere taken hadden.
Dit rooster en deze activiteiten werden overal in kleine staatjes langs de gehele lengte van De Rivier gevolgd. Bijna overal was de mensheid in staat van oorlog of bezig zich erop voor te bereiden. De burgers moesten in vorm blijven en weten hoe zij naar beste vermogen konden vechten. De oefeningen hielden de burgers bovendien bezig. Hoe monotoon het krijgsleven ook was, het was beter dan rondhangen en zich afvragen op welke wijze men zich het best kon vermaken. De bevrijding van zorgen om voedsel, huur, rekeningen en het voortdurend terugkerende werk en verplichtingen die de Aardbewoners altijd hadden beziggehouden, was in het geheel geen zegen. Er moest voortdurend strijd tegen de verveling geleverd worden en de bestuurders van iedere staat hadden de handen vol met het bedenken van manieren om hun volk bezig te houden. Er zou in het Rivierdal eigenlijk een paradijselijke toestand moeten heersen maar het was oorlog, oorlog, oorlog wat de klok sloeg.
Andere zaken daargelaten was oorlog — tenminste volgens sommigen — in dit oord een goede zaak! Hij gaf smaak aan het leven en verjoeg de verveling. De hebzucht en agressiviteit van de mens hadden ook kanten die de moeite waard waren.
Na het avondeten was iedere man en vrouw vrij om te doen wat hij of zij wilde, zolang zij geen plaatselijke wetten overtraden. Hij kon de sigaretten of de drank, door zijn graal geleverd, ruilen of de vis die hij in De Rivier had gevangen voor een betere boog met pijlen verkopen. De ruilhandel omvatte vele zaken zoals: vaatwerk, tafels en stoelen, bamboefluiten, stenen trompetten, trommels met menselijke of vishuid, zeldzame stenen (die echt zeldzaam waren), halssnoeren gemaakt van de mooi gevormde en gekleurde beenderen van de Diepriviervis of van jade of gesneden hout, spiegels uit lavaglas, sandalen en schoenen, houtskooltekeningen, het zeldzame en kostbare bamboepapier, inkt en visbeenpennen, hoeden uit het lange en taaivezelige heuvelgras, snorrebotten, kleine wagentjes waarmee men de heuvel kon afrijden, harpen uit hout met snaren uit de ingewanden van de ‘draakvis’, eiken ringen voor vingers en tenen, lemen beeldjes en andere nuttige of siervoorwerpen.
Later was er natuurlijk het minnespel dat Burton en zijn hutgenoten voorlopig werd ontzegd. Slechts nadat zij als volledige burgers waren aanvaard, zou hun worden toegestaan in afzonderlijke huizen met een vrouw te wonen.
John Collop was een kleine, magere jongeman met lang, blond haar, een smal maar prettig gezicht en grote, blauwe ogen met bijzonder lange, opkrullende zwarte oogharen. Tijdens zijn eerste gesprek met Burton had hij, nadat hij zich had voorgesteld gezegd: ‘Ik werd in 1625 uit de duisternis van mijn moeders schoot — van wie anders? — in het licht van de God van de Aarde bevrijd. Veel te vlug daalde ik weer in de schoot van Moeder Natuur af, in het vertrouwen en de hoop op herrijzenis, waarin ik zoals je ziet niet teleurgesteld ben. Ik moet echter wel bekennen dat dit leven na de dood niet het leven is dat de dominees me lieten verwachten, maar hoe hadden zij ook de waarheid moeten weten, arme blinden, schepsels die de blinden moesten leiden!’
Het duurde niet lang voordat Collop hem vertelde dat hij lid van de Kerk van de Tweede Kans was.
Burton trok zijn wenkbrauwen op. Hij had deze nieuwe godsdienst op veel plaatsen langs De Rivier ontmoet. Hoewel Burton zelf een ongelovige was, stelde hij zich tot taak iedere godsdienst grondig te onderzoeken. Als je het geloof van een man kende, kende je hem minstens voor de helft. Als je zijn vrouw kende, kende je zijn andere helft.
De Kerk had enkele eenvoudige dogma’s, waarvan sommige op feiten, maar de meeste op gissingen, hoop en verlangens waren gebaseerd. Hierin verschilden zij niet van de godsdiensten die op aarde ontstaan waren.
De aanhangers van de Tweede Kans hadden echter één voordeel boven welke aardse godsdienst dan ook. Zij hadden geen moeite te bewijzen dat de doden konden worden opgewekt en dat niet slechts eenmaal maar vaak.
Читать дальше