Bijna nog erger dan de pijn in zijn voet was de gedachte dat hij op het eerste traject van wat hij de Zelfmoord-Express noemde, zijn doel had bereikt. Hij had maar een geschatte kans van één op tien miljoen gehad in dit gebied terecht te komen en zelfs als hij zich tienduizend maal had verdronken zou hij het misschien nooit hebben gehaald. Toch had hij fantastisch geluk gehad en dat zou wel eens nooit meer voor kunnen komen. Maar hij zou het weer kwijtraken en wel heel gauw.
De zon bewoog zich half verscholen achter de toppen van de bergen aan de andere kant van De Rivier. Dit was de plek waarvan hij vermoed had dat zij moest bestaan en hij was hier bij de eerste de beste poging aangeland. Nu, terwijl zijn gezichtsvermogen het begaf en de pijn afnam, wist hij dat hij stervende was. De misselijkheid kwam niet alleen op rekening van de verbrijzelde beenderen in zijn voet. Hij had stellig inwendige bloedingen. Hij probeerde nogmaals op te staan. Hij moest en zou rechtopstaan, al was het maar op één voet om zijn vuist te schudden tegen het spottende noodlot en het te vervloeken. Hij zou met een vervloeking op zijn lippen sterven.
Het rode ochtendgloren beroerde zacht zijn ogen. Hij stond op met de wetenschap dat zijn wonden geheeld en hijzelf weer volkomen genezen zou zijn maar helemaal geloofde hij het nog niet. Naast hem stonden een graal en een stapeltje van zes netjes gevouwen doeken van verschillende maten, kleuren en dikten.
Vier meter verder stond een eveneens naakte man uit het korte, lichtgroene gras op. Burton werd klam. Het blonde haar, brede gezicht en de lichtblauwe ogen behoorden aan Hermann Göring toe.
De Duitser keek even verbaasd als Burton. Hij sprak lijzig alsof hij uit een diepe slaap kwam. ‘Er zit hier iets volkomen fout.’
‘Fout en smerig,’ antwoordde Burton. Hij wist niet meer dan wie dan ook over het verrijzenispatroon langs De Rivier. Hij had nooit een verrijzenis gezien maar hij had ze horen beschrijven door degenen die dat wel hadden. Bij zonsopgang, juist nadat de zon de onbeklimbare bergen raakte, ontstond er in de lucht naast een graalrots een schittering. In een oogwenk nam de luchtvervorming vaste vorm aan en een naakte man, vrouw of kind verscheen uit het niets op het gras aan de oever. Altijd lagen de onontbeerlijke graal en de doeken bij zo’n ‘Lazarus’.
In het waarschijnlijk vijftien tot dertig miljoen kilometer lange Rivierdal, waarin ongeveer vijfendertig tot zesdendertig miljard mensen woonden, zouden gemiddeld één miljoen dagelijks kunnen sterven. Weliswaar waren er geen ziekten, behalve dan geestelijke, maar — ofschoon er geen statistieken van bestonden — werden er iedere vierentwintig uur waarschijnlijk een miljoen in de talloze oorlogen tussen de ongeveer een miljoen kleine staatjes gedood, waarbij dan nog de moorden uit hartstocht, de zelfmoorden, de terechtgestelde misdadigers en de doden uit ongevallen kwamen. Er was een gestadig en druk verkeer van hen die de ‘kleine verrijzenis’ ondergingen, zoals het werd genoemd.
Maar Burton had nooit gehoord van twee mensen die op dezelfde plaats stierven en samen tegelijkertijd herrezen. Het proces voor de keuze van een gebied voor het nieuwe leven was willekeurig — dat had hij tenminste altijd gedacht.
Natuurlijk kon zo’n toevallige gebeurtenis plaatsvinden, hoewel de waarschijnlijkheid één op twintig miljoen was maar twee zulke gebeurtenissen, onmiddellijk na elkaar, zou een wonder zijn.
Burton geloofde niet in wonderen. Er gebeurde niets dat niet door fysische principes verklaard kon worden — als je tenminste alle feiten kende. Hij kende alle feiten niet en was dus niet van plan zich over dit ‘toeval’ op het ogenblik zorgen te maken. De oplossing van een ander probleem was dringender en wel, wat moest hij met Göring aan?
De man kende hem en kon hem voor iedere Ethicus, die naar hem op zoek was, identificeren.
Burton keek vlug om zich heen en zag een aantal mannen en vrouwen die klaarblijkelijk in vriendschappelijke gezindheid naderden. Er was nog tijd voor een paar woorden met de Duitser.
‘Göring, ik kan jou of mijzelf doden. Maar ik wil geen van beide — tenminste, niet op dit ogenblik. Je weet waarom je gevaarlijk voor mij bent en ik zou met jou geen risico moeten nemen, jij verraderlijke hyena. Maar je schijnt iets veranderd te zijn, ik kan het niet onder woorden brengen maar...’
Göring, die om zijn veerkracht bekend was, scheen uit zijn shocktoestand te ontwaken. Hij grijnsde geniepig en zei: ‘Ik zet je wel voor het blok, nietwaar?’
Omdat hij Burton hoorde grommen stak hij haastig zijn hand op en zei: ‘Maar ik zweer je dat ik je identiteit aan niemand bekend zal maken of iets zal doen dat je kan schaden! We zijn misschien geen vrienden maar we kennen elkaar tenminste en we zijn in een land dat vreemd is. Het is goed een bekend gezicht in je omgeving te hebben. Ik weet dat ik te lang onder eenzaamheid en troosteloosheid geleden heb. Ik dacht dat ik gek zou worden en dat is gedeeltelijk de reden waarom ik droomgum gebruikte. Geloof me, ik zal je niet verraden.’
Burton geloofde hem niet. Hij dacht echter wel dat hij hem een poosje kon vertrouwen. Göring zou een eventuele bondgenoot willen hebben, tenminste tot het ogenblik dat hij had vastgesteld met wat voor mensen hij in dit gebied te maken had en wist wat hij wel en niet kon uithalen. Bovendien was Göring misschien wel in zijn voordeel veranderd.
Nee, zei Burton bij zichzelf. Nee. Daar ga je weer. Je praat wel cynisch maar je bent altijd te vergevensgezind geweest, je hebt altijd te snel klaar gestaan beledigingen die anderen je aandeden over het hoofd te zien en je vijand een nieuwe kans te geven. Wees niet opnieuw een dwaas, Burton.
Drie dagen later verkeerde hij over Göring nog steeds in het onzekere.
Burton had de identiteit van Abdul ibn Harun, een negentiende-eeuwse burger van Cairo, Egypte, aangenomen. Hij had verscheidene redenen om deze vermomming aan te nemen. Een ervan was dat hij uitstekend Arabisch sprak en het in Cairo gesproken dialect van die periode kende. Bovendien had hij een excuus om zijn hoofd met een tot een tulband gewikkelde doek te bedekken. Hij hoopte dat dit ertoe zou bijdragen zijn uiterlijk onherkenbaar te maken. Göring zei tegen niemand iets om deze camouflage tegen te spreken. Burton was hier vrij zeker van omdat hij en Göring de meeste tijd samen doorbrachten. Zij werden in dezelfde hut ondergebracht totdat zij zich aan de locale gebruiken hadden aangepast en ondergingen een proefperiode.
Deze bestond ten dele uit een intensieve militaire training. Burton was een van de beste zwaardvechters van de negentiende eeuw geweest en kende ook iedere andere methode van het gevecht met wapens of blote handen. Nadat hij zijn vaardigheden in een serie wedstrijden had getoond werd hij als rekruut verwelkomd. Er werd hem zelfs beloofd dat hij instructeur zou worden zodra hij de taal goed genoeg had geleerd.
Göring won bijna even snel het respect van de plaatselijke bevolking. Wat zijn andere tekortkomingen ook waren, aan moed ontbrak het hem niet. Hij was snel en bedreven met wapens, joviaal en prettig in de omgang wanneer het hem uitkwam en lag niet ver bij Burton achter in het meester worden van de taal.
Het duurde niet lang of hij verwierf en gebruikte een mate van autoriteit zoals het een ex-rijksmaarschalk van Hitler-Duitsland betaamde.
Dit deel van de westelijke oever werd grotendeels bevolkt door mensen die een taal spraken waarvan Burton, die toch zowel op aarde als op De Rivierplaneet een talenkenner bij uitstek kon worden genoemd, nog nooit had gehoord. Toen hij de taal voldoende machtig was om vragen te stellen, kwam hij tot de conclusie dat zij gedurende het vroeg-bronzen tijdperk ergens in Centraal-Europa moesten hebben gewoond. Zij hadden bepaalde merkwaardige gebruiken, waarvan er één paring in het openbaar was. Voor Burton, die in 1863 in Londen medeoprichter van het Koninklijk Antropologisch Instituut was geweest en die bij zijn naspeuringen op aarde vreemde dingen had gezien, was dit bijzonder belangwekkend. Hij nam er echter niet aan deel maar het vervulde hem evenmin met afkeer.
Читать дальше