Sevier en zijn volk geloofden niet in slavernij en hielden hun gasten niet langer bij zich dan dezen zelf wensten. Na hun toestemming te hebben gegeven hun gralen te vullen en zich te voeden had Sevier hen op een feestje ter viering van Verrijzenisdag uitgenodigd. Later had hij hen naar het gastenverblijf gebracht.
Burton was altijd een lichte slaper geweest, maar nu was hij bovendien ongerust. Hij had zich pas aan de vermoeidheid overgegeven lang nadat de anderen waren begonnen langzaam te ademen of te snurken. Na een eindeloze droom was hij wakker geworden bij het horen van de stem, die op zijn droom had ingegrepen.
Hermann Göring, dacht Burton. Hij had Göring gedood, maar Göring moest ergens langs De Rivier weer in leven zijn. Was de man die nu in de aangrenzende hut kreunde en schreeuwde iemand, die door toedoen van Göring óf op aarde óf in het Rivierdal geleden had?
Burton wierp de zwarte doek van zich af en stond vlug maar geruisloos op. Hij maakte zijn kilt met magnetische gespen vast, deed een uit mensenhuid gemaakte riem om en vergewiste zich ervan dat de vuurstenen ponjaard in de schede zat, nam een assegaai, een stuk hardhout met vuurstenen punt, en verliet de hut. De maanloze hemel wierp een licht, dat even helder als de volle maan op aarde was. De hemel stond in volle gloed van reusachtige, veelkleurige sterren en lichte wolken kosmisch gas.
De gastenverblijven waren op de tweede heuvelrij aan de rand van de Riviervlakte gebouwd en stonden ongeveer twee kilometer van De Rivier af. Er waren zeven bamboegebouwtjes van één kamer, met bladeren als dakbedekking. De andere hutten stonden op een afstand onder de enorme takken van de ijzerbomen of onder de reusachtige pijnbomen en eiken. Op de top van een heuvel, een kilometer verder weg, stond een grote cirkelvormige palissade, die in de wandeling ‘het ronde huis’ werd genoemd. Daar sliepen de notabelen van Sevieria.
Op ongeveer achthonderd meter afstand van elkaar stonden hoge bamboetorens langs De Rivieroever. De gehele nacht brandden er fakkels op de platforms ervan, vanwaaruit schildwachten naar mogelijke indringers uitkeken.
Burton nam de schaduwen onder de bomen scherp op en liep de paar stappen naar de hut waaruit het gekreun en geschreeuw had geklonken.
Hij duwde het grasgordijn opzij. Het sterrenlicht viel door het open raam op het gezicht van de slaper. Burton floot van verbazing. Het licht onthulde het blonde haar en de brede trekken van een jongeman, die hij herkende.
Op blote voeten liep Burton langzaam naar voren. De slaper kreunde, legde een arm over zijn gezicht en draaide zich half om. Burton bleef staan en hervatte daarna zijn steelse voortgang. Hij legde de assegaai op de grond, trok zijn dolk en duwde de punt ervan zacht tegen de holte in de keel van de jongeman. Deze sloeg zijn arm terug, opende zijn ogen en staarde Burton aan. Burton sloot zijn hand over de open mond van de man.
‘Hermann Göring! Beweeg je niet en schreeuw niet of ik maak je af!’
Göring’s lichtblauwe ogen zagen er in de schaduw donker uit maar de bleekheid van zijn doodsangst was duidelijk zichtbaar. Hij beefde en probeerde rechtop te gaan zitten, maar liet zich weer terugvallen toen de vuurstenen punt in zijn huid drong.
‘Hoe lang ben je al hier?’ vroeg Burton.
‘Wie ...?’ zei Göring in het Engels en sperde toen zijn ogen zelfs verder open. ‘Richard Burton? Droom ik? Ben jij het?’
Burton rook het droomgum in Göring’s adem en ook de met zweet doorweekte mat waarop hij lag. De Duitser was veel magerder dan de laatste keer dat hij hem had gezien.
Göring zei: ‘Ik weet niet hoe lang ik hier al ben. Hoe laat is het?’
‘Ongeveer een uur voor zonsopgang, denk ik. Het is de dag na de Verrijzenisviering.’
‘Dan ben ik hier al drie dagen. Kan ik wat te drinken krijgen? Mijn keel is even droog als een sarcofaag.’
‘Geen wonder, je bent een levende sarcofaag... als je aan droomgum verslaafd bent.’
Burton stond op en gebaarde met zijn assegaai naar een pot van vuurvaste klei op een nabije kleine bamboetafel. ‘Als je wilt, kun je drinken maar haal niets uit.’
Göring kwam langzaam overeind en wankelde naar de tafel. ‘Zelfs al zou ik het willen dan ben ik te zwak om met je te vechten.’ Hij dronk hoorbaar uit de pot en pakte toen een appel van de tafel en beet erin. Toen zei hij: ‘Wat doe jij hier? Ik dacht dat ik van je af was.’
‘Geef jij eerst antwoord,’ zei Burton, ‘en een beetje vlug. Jij vormt een levensgroot probleem, weet je.’
Göring begon te kauwen, stopte, keek hem aan en zei toen: ‘Waarom zou ik? Ik heb hier geen enkele bevoegdheid, maar als ik die wel had zou ik je nog niets kunnen maken. Ik ben hier alleen maar als gast. Verdomd fatsoenlijke mensen hier. Ze hebben me helemaal niet lastig gevallen en alleen af en toe gevraagd of ik in orde was. Maar ik weet niet hoelang ze me zullen laten blijven zonder mijn onderhoud te verdienen.’
‘Ben je de hut niet uit geweest?’ vroeg Burton. ‘Wie heeft dan je graal voor je gevuld? Hoe ben je aan zoveel droomgum gekomen?’
Göring lachte sluw. ‘Ik had een grote voorraad van de laatste plaats waar ik was, ergens ongeveer vijftienhonderd kilometer De Rivier op.’
‘Zonder twijfel met geweld van een paar arme slaven afgenomen,’ zei Burton. ‘Maar als het je daar zo goed ging, waarom ging je dan weg?’
Göring begon te snikken. De tranen rolden over zijn gezicht, langs zijn sleutelbeenderen op zijn borst en zijn schouders schokten. ‘Ik... ik moest weg. Ik was voor de anderen van geen enkel nut. Ik verloor mijn macht over hen... ik dronk te veel, rookte marihuana en kauwde droomgum. Ze zeiden dat ik te week voor mezelf was. Ze zouden me hebben vermoord of een slaaf van me hebben gemaakt. Ik ben dus op een nacht weggeslopen... en heb de boot genomen. Ik kwam goed weg en ben blijven varen tot ik hier aanlegde. Ik heb een deel van mijn voorraad aan Sevier verhandeld voor twee weken onderdak.’
Burton keek Göring nieuwsgierig aan.
‘Je wist toch wat er zou gebeuren als je te veel gum nam?’ zei hij. ‘Nachtmerries, hallucinaties en waanvoorstellingen. Volledige geestelijke en lichamelijke verloedering. Je hebt vast wel gezien hoe dat bij anderen gebeurde.’
‘Ik was op aarde aan morfine verslaafd!’ riep Göring. ‘Ik heb ermee geworsteld en het een lange tijd uitgehouden. Toen begonnen de zaken voor het Derde Rijk slecht te gaan... en voor mij zelfs nog slechter... toen Hitler de pik om me kreeg... en toen begon ik weer stuff te gebruiken!’
Hij zweeg en vervolgde daarna: ‘Maar toen ik hier in een nieuw leven en met een jong lichaam wakker werd en het erop leek dat ik een eeuwigheid van leven en jeugd vóór me had, toen er geen strenge God in de hemel of een duivel in de hel was om me tegen te houden, toen dacht ik dat ik precies kon doen wat ik wilde en er zonder kleerscheuren vanaf komen. Ik wilde zelfs groter dan de Führer worden! Dat kleine landje waarin jullie me de eerste keer vonden was maar het begin! Ik kon mijn rijk duizenden mijlen aan beide kanten van De Rivier zien uitstrekken. Ik zou heerser zijn geweest over tienmaal meer onderdanen dan waarvan Hitler ooit had gedroomd!’
Hij begon weer te snotteren maar hield ermee op om nog een teug water te nemen en een stuk droomgum in zijn mond te stoppen. Terwijl hij kauwde ontspande zijn gezicht zich en werd met iedere seconde gelukzaliger.
‘Ik bleef nachtmerries hebben hoe jij de speer in mijn buik stak. Als ik wakker werd deed mijn buik even zeer alsof er een stuk vuursteen in mijn ingewanden zat. Ik moest dus gum nemen om de pijn en de vernedering weg te nemen. In het begin hielp het gum. Ik voelde me geweldig. Ik was heerser over de wereld. Ik werd Napoleon, Julius Caesar, Alexander de Grote, Genghis Khan, allen in één persoon verenigd. Ik was weer commandant van Von Richthofen’s Esquadron. Dat waren mooie dagen, in veel opzichten de gelukkigste van mijn leven. Maar de euforie maakte al gauw plaats voor afschuwelijke dromen. Ik werd in de hel geslingerd. Ik zag hoe ik mijzelf beschuldigde en achter de aanklager stonden een miljoen anderen, niet ikzelf maar de slachtoffers van die grote, glorieuze held, die walgelijke gek, Hitler, die ik zo vereerd heb en in wiens naam ik zoveel misdaden heb begaan.’
Читать дальше