Burris legde geld neer en raapte zijn knikkers op. Zijn eerste worp miste het doel op zes centimeter.
‘Goed geprobeerd, jongen! Geef hem de ruimte! Hier is iemand die het in zijn vingers heeft!’ De man achter de toonbank van de kraam keek ongelovig naar Burris’ gezicht. Lona werd rood. Waarom moeten ze hem zo aangapen? Ziet hij er dan zo vreemd uit?
Hij gooide weer. Pang . Toen: pang . Pang .
‘Drie achter elkaar! Geef het mevrouwtje haar prijs!’
Lona klemde iets warms, bontachtigs, iets bijna levends tegen zich aan. Ze verwijderden zich van de tent, ontkomend aan een geroezemoes van stemmen. Burris zei: ‘Sommige aspecten van dit weerzinwekkende lichaam moet je toch respecteren, Lona.’
Een tijdje later zette ze de prijs op de grond, en toen ze hem weer wou oprapen, was hij verdwenen. Hij bood aan om er nog een voor haar te winnen, maar ze zei hem dat dat niet nodig was.
Ze gingen niet binnen bij de vleesshows.
Toen ze bij het huis van de gedrochten kwamen, aarzelde Lona, die naar binnen wou gaan, maar het niet zo goed durfde voor te stellen. Die aarzeling was fataal. Drie van drank stinkende gezichten doken op, keken naar Burris, begonnen te bulderen van het lachen.
‘Hé, daar staat er een die ontsnapt is!’
Lona herkende de vurige vlekken van woede op zijn wangen. Ze troonde hem haastig mee, maar de wond was al geslagen. Hoeveel weken eigenhandig herstel teniet gedaan in een enkel moment?
De avond draaide om dat punt. Tot dan toe was hij verdraagzaam geweest, vaag geamuseerd, slechts een ietsje verveeld. Nu werd hij vijandig. Ze zag zijn oogluiken zich tot het uiterste opensperren en de koude blik van de bloot-gekomen ogen zou als een bijtend zuur in dit speelland hebben gevreten als dat had gekund. Hij liep stram. Ieder volgend moment vervulde hem met grote tegenzin.
‘Ik ben moe, Lona. Ik wil naar onze kamer.’
‘Nog eventjes.’
‘We kunnen morgenavond toch weer gaan.’
‘Maar het is nog zo vroeg, Minner!’
Zijn lippen bewogen zich vreemd. ‘Blijf hier dan alleen.’
‘Nee! ik ben bang! Ik bedoel — wat is er nou aan zonder jou?’
‘Ik vind er niets aan.’
‘Daarnet leek het alsof je…’
‘Dat was daarnet. Nu is het nu.’ Hij trok aan haar mouw. ‘Lona —’
‘Nee,’ zei ze. ‘Zo vlug neem je me niet mee. Er is in de kamer niets anders te doen dan slapen en seks bedrijven en naar de sterren kijken. Dit is Tivoli, Minner. Tivoli! Ik wil elke minuut ervan drinken!’
Hij zei iets wat ze niet verstond en ze liepen naar een ander deel van het park. Maar zijn rusteloosheid kreeg de over hand. Na een paar minuten vroeg hij opnieuw of ze teruggingen.
‘Probeer jezelf te vermaken, Minner.’
‘Het maakt me misselijk hier. Dat lawaai… die stank… die ogen .’
‘Niemand kijkt naar je.’
‘Heel grappig! Hoorde je wat ze zeiden toen —’
‘Die waren dronken.’ Hij bedelde om sympathie en ditmaal wou ze hem die niet geven. ‘O, ik weet ’t wel, je gevoelens zijn gekwetst. Je gevoelens worden zo vlug gekwetst. Nou, hou nu maar eens op met zo gauw medelijden met jezelf te hebben! Ik ben hier om me te amuseren, en dat ga jij niet bederven!’
‘Boosaardigheid!’
‘Niet erger dan egoïsme!’ beet ze hem toe.
Boven hun hoofd spatte vuurwerk uit elkaar. Een bonte slang met zeven staarten kronkelde door de hemel.
‘Hoelang wil je nog blijven?’ Onbuigzaam nu.
‘Ik weet ’t niet. Een half uur. Een uur.’
‘Een kwartier?’
‘Laten we er geen handeltje van maken. We hebben nog geen tiende gezien van wat er is.’
‘Er komen nog andere avonden.’
‘We zijn er weer. Minner, hou op! Ik wil niet met je bekvechten, maar ik geef je niet je zin. Ik geef je gewoon je zin niet.’
Hij maakte een hoffelijke buiging, dieper dan iemand met een menselijk skelet bij machte was. ‘Tot uw dienst, Mevrouw.’ Giftige woorden. Lona negeerde het gif en nam hem mee langs het lawaaierige pad. Het was de ergste woordenwisseling die ze tot nog toe hadden gehad. Bij vorige wrijvingen waren ze koel, bits, sarcastisch, beheerst geweest. Maar nooit hadden ze recht tegenover elkaar gestaan, uitvarend tegen elkaar. Ze hadden zelfs een klein publiek getrokken: Jan Klaassen en Katrijn die tegen elkaar stonden te schreeuwen ten vermake van geboeide toeschouwers. Wat was er aan de hand? Waarom kibbelden ze? Waarom, zo vroeg ze zich af, leek het soms alsof hij haar haatte? Waarom voelde ze op zulke momenten dat het heel gemakkelijk was om hem ook te haten?
Ze zouden elkaar steun moeten geven. Zo was ’t in ’t begin geweest. Een band van wederzijdse sympathie had hen verbonden, want ze hadden allebei geleden. Wat was daar mee gebeurd? Zoveel bitterheid had zich nu tussen hun genesteld. Beschuldigingen, verwijten, spanningen.
Voor hen verrichtten drie in elkaar grijpende wielen een ingewikkelde vuurdans. Trillend licht sprong en flikkerde. Hoog op een pilaar verscheen een naakt meisje, gedrapeerd in een levende gloed. Ze wenkte, smeekte, een muezzin die de gelovigen riep naar het huis der lusten. Haar lichaam was onwaarschijnlijk vrouwelijk; haar borsten waren vooruitpriemende heuvels, haar billen reusachtige globes. Niemand werd zo geboren. Ze moest veranderd zijn door doktoren…
Een lid van onze club, dacht Lona. Toch geeft ze er niets om. Ze zit daar voor iedereen te kijk en heeft er plezier in om haar steentje bij te dragen. Hoe vindt ze het zo, om vier uur in de ochtend? Kan het haar schelen?
Burris stond gefixeerd naar het meisje te staren.
‘Het is gewoon maar vlees,’ zei Lona. ‘Waarom ben je zo gefascineerd?’
‘Dat is Elise daarboven!’
‘Je vergist je, Minner. Ze kan niet hier zijn, en zeker niet daarboven.’
‘Ik zeg je dat ’t Elise is. Mijn ogen zijn scherper dan de jouwe. Je weet nauwelijks hoe ze eruit ziet. Ze hebben iets met haar lichaam gedaan, ze hebben haar op de een of andere manier opgevuld, maar ik weet dat ’t Elise is!’
‘Ga dan naar haar toe.’
Hij stond op zijn plaats vastgenageld. ‘Ik zei niet dat ik dat wilde.’
‘Je dacht ’t alleen maar.’
‘Nu ben je jaloers op een naakt meisje op een pilaar?’
‘Je hield van haar voordat je me kende.’
‘Ik heb nooit van haar gehouden,’ schreeuwde hij en de leugen spreidde zich uit op zijn voorhoofd.
Uit duizend luidsprekers klonk een lofzang op het meisje, op het park, op de bezoekers. Al het geluid smolt samen tot één enkele vormloze brei. Het meisje was nu aan het dansen, gooide haar benen omhoog, wild zwaaiend. Haar naakte lichaam glom. Het opgezwollen vlees trilde en schudde. Ze was een en al vleselijkheid.
‘Het is Elise niet,’ zei Burris ineens, en de betovering brak.
Hij liep weg terwijl zijn gezicht steeds somberder werd; hij Stond stil. Overal om hen heen stroomden de bezoekers naar de pilaar, nu het centrale punt van het park, maar Lona en Burris bewogen zich niet. Ze stonden met hun rug naar de danseres toe. Burris schokte alsof hij getroffen was en vouwde zijn armen over zijn borst. Hij zonk neer op een bank, met zijn hoofd gebogen.
Dit was geen aanstellerij of vervelendheid. Hij was ziek, besefte ze.
‘Ik voel me zo moe,’ zei hij hees. ‘Alle kracht is uit me weg. Ik voel me duizend jaar, Lona!’
Ze hoestte toen ze zich naar hem overboog. Plotseling stroomden de tranen uit haar ogen. Ze viel naast hem neer op de bank, snakkend naar adem. ‘Ik voel me hetzelfde. Uitgewrongen.’
‘Wat gebeurt er?’
‘Iets dat we inademden met die rit? Iets dat we gegeten hebben, Minner?’
‘Nee. Kijk naar mijn handen.’
Ze beefden. De kleine tentakels hingen er slap bij. Zijn gezicht zag grijs.
En zij: het was alsof ze vanavond honderd kilometer had gelopen. Of honderd baby’s had gebaard.
Читать дальше