Iemand waarvan Burris had gehouden was aan boord van het Wiel toen het verging. Ze was daar echter met iemand anders, genietend van de speeltafels, de zinnelijke shows, de haute cuisine, de sfeer van morgen-komt-nooit. Morgen was onverwacht gekomen.
Toen ze met hem brak had hij gedacht dat hem de rest van zijn leven nooit iets ergers kon overkomen. De romantische fantasie van een jonge man, want kort daarna was ze dood, en dat was veel erger voor hem dan toen ze hem weigerde. Nu ze dood was, was alle hoop om haar ooit nog eens te krijgen vervlogen en een tijdlang was ook hij dood, hoewel hij nog steeds rondliep. En daarna, heel merkwaardig, ebde de pijn weg totdat hij helemaal verdwenen was. Was het ’t ergste dat je kon overkomen, een meisje kwijt raken aan een rivaal en haar dan in een katastrofe verliezen? Nauwelijks, nauwelijks. Tien jaar later had Burris zichzelf verloren. Nu dacht hij dat hij wist wat werkelijk erg was.
‘Dames en heren, welkom aan boord van de Aristarchus IV . Uit naam van Kapitein Villeparisis wens ik u een plezierige reis. We moeten u verzoeken om op uw banken te blijven liggen totdat de periode van maximale versnelling voorbij is. Wanneer we buiten de aantrekkingskracht van de aarde zijn staat ’t u vrij om uw benen te strekken en van het uitzicht te genieten.’
Het ruimteschip bevatte vierhonderd passagiers, vracht en post. Er waren twintig privécabines en één daarvan werd ingenomen door Burris en Lona. De anderen zaten naast elkaar bijeen en verdrongen zich om een glimp op te vangen uit de dichtstbijzijnde patrijspoort.
‘Daar gaan we,’ zei Burris zacht.
Hij voelde de jets de aarde ranselen en slaan, voelde de raketten aanslaan, voelde hoe het schip zich moeiteloos verhief. Een driedubbel gravitronschild beschermde de passagiers tegen de ergste effecten van de start, maar het was onmogelijk om de zwaartekracht geheel uit te bannen in zo’n groot schip, zoals Chalk kon doen in zijn kleine pleziertoestel.
De kleiner wordende aarde bungelde als een groene pruim net buiten de patrijspoort. Burris realiseerde zich dat Lona er niet naar keek, maar hem nauwlettend gadesloeg.
‘Hoe voel je je?’ vroeg ze.
‘Best, best.’
‘Je ziet er niet ontspannen uit.’
‘Dat komt door de druk van de zwaartekracht. Denk je dat ik zenuwachtig ben omdat ik de ruimte in ga?’
Een schouderophalen. ‘Het is de eerste keer sinds — sinds Manipool, hè?’
‘Ik ben nog een keer meegeweest in dat schip van Chalk, weet je nog?’
‘Dat was iets anders. Dat was subatmosferisch.’
‘Denk je dat ik verstijf van angst alleen omdat ik een ruimtereis maak?’ vroeg hij. ‘Veronderstel je dat ik denk dat dit een nonstop expres is naar Manipool?’
‘Je verdraait m’n woorden.’
‘Doe ik dat? Ik zei dat ik me best voelde. En jij begon een grote ingewikkelde fantasie op te bouwen dat ik me rot voelde. Jij —’
‘Hou op, Minner.’
Haar ogen stonden kil. Haar woorden waren scherp geaccentueerd, bijtend. Hij drukte zijn schouders weer op de krib en trachtte de tentakels van zijn hand weer in bedwang te krijgen. Ze had het voor elkaar: hij was ontspannen, maar zij had hem gespannen gemaakt. Waarom moest ze hem op die manier bemoederen? Hij was niet kreupel. Hij hoefde niet gekalmeerd te worden bij een lancering. Hij werd al jaren voor ze geboren werd gelanceerd. Wat joeg hem dan nu zo’n angst aan? Hoe konden haar woorden zijn zelfvertrouwen zo gemakkelijk ondermijnen?
Ze stopten de woordenwisseling alsof ze een bandje doorsneden, maar de scherpe hoekjes bleven. Hij zei zo vriendelijk als hij kon: ‘Laat je ’t uitzicht niet ontgaan, Lona. Je hebt de aarde nog nooit van zo hoog gezien, is ’t niet?’
De planeet was nu al ver van hen verwijderd. Je kon hem helemaal zien. Het westelijk halfrond was naar hen toegekeerd en lag onder een laaiende zon. Van Antarctica, waar ze nog maar een paar uur geleden geweest waren, was alleen de lange uitstekende vinger van het schiereiland te zien, gericht op Kaap Hoorn.
In een poging om niet belerend te klinken liet Burris haar zien hoe het zonlicht de planeet overdwars bescheen, in dit jaargetijde het zuiden verwarmde en het noorden nauwelijks verlichtte. Hij vertelde haar over de elliptische baan rond de zon, over de rotatie en de omwenteling van de planeet, over de wisseling van de seizoenen. Lona luisterde enstig, knikte vaak, maakte beleefde geluiden van instemming wanneer hij pauzeerde om die af te wachten. Hij vermoedde dat zij ’t nog steeds niet begreep. Maar op dat punt was hij bereid genoegen te nemen met de schaduw van begrip als hij het werkelijke begrip niet kreeg, en ze gaf hem die schaduw.
Ze verlieten hun cabine en liepen het ruimteschip rond. Ze zagen de aarde vanuit verschillende hoeken. Ze kochten iets te drinken. Ze kregen te eten. Aoudad glimlachte tegen hen uit zijn zitplaats in de toeristenklasse. Er werd behoorlijk veel naar ze gestaard.
Weer terug in de cabine doezelden ze weg.
Ze sliepen tijdens het mystieke moment van de overgang, toen ze uiteindelijk van de greep van de aarde in die van de maan raakten. Burris werd met een schok wakker en staarde naar het slapende meisje en knipperde tegen de duisternis. Het scheen hem alsof hij de verkoolde gordels van het versplinterde Wiel daarbuiten zag zweven. Nee, nee; onmogelijk. Maar hij had ze wel eens gezien, tijdens een reis tien jaar geleden. Er werd gezegd dat enkele lijken die van het Wiel waren geslingerd toen het uit elkaar sprong nog steeds in de ruimte zweefden, zich in brede parabolen rond de zon bewogen. Naar Burris wist had niemand ooit zo’n zwervend lichaam echt gezien; de meeste lijken, misschien wel allemaal, waren door de fakkelschepen fatsoenlijk geborgen en afgevoerd, en de overige, was hij geneigd te geloven, hadden nu wel hun weg naar de zon afgelegd voor de mooiste aller begrafenissen. Het was een oude persoonlijke angst van hem om haar verbrijzelde gezicht langs te zien zweven als hij door dit gebied kwam.
Het ruimteschip helde over en draaide zich kalm om en de geliefde witte, pokdalige trekken van de maan kwamen in zicht.
Burris raakte Lona’s arm aan. Ze bewoog zich, knipperde, keek naar hem, en toen naar buiten. Hij bleef naar haar kijken en zag hoe een toenemende verbazing bezit van haar nam, terwijl ze toch met haar rug naar hem toezat.
Een half dozijn glanzende koepels werd nu zichtbaar op het maanoppervlak.
‘Tivoli!’ schreeuwde ze.
Burris twijfelde eraan dat het amusementspark zich echt in een van die koepels bevond. De maan was overdekt met koepelgebouwen die in de afgelopen tientallen jaren waren gebouwd om oorlogszuchtige, commerciële of wetenschappelijke redenen, en geen daarvan beantwoordde aan zijn beeld van Tivoli. Hij verbeterde haar echter niet. Hij was ’t aan ’t leren.
Het lijntoestel spiraalde met afnemende snelheid naar zijn landingsplaats.
Dit was een tijdperk van koepels en vele daarvan waren het werk van Duncan Chalk. Op aarde waren het meestal hangende geodetische koepels, maar niet altijd; hier, bij een geringere zwaartekracht waren ze gewoonlijk eenvoudiger van vorm, minder strakstaande koepels uit één stuk. Chalk’s imperium van plezier werd begrensd en beperkt door koepels, te beginnen met die boven zijn privébadkuip, en vervolgens de koepel van de Melkwegzaal, het Antarcticahotel, de Tivoli-koepel, en verder, verder tot de sterren.
De landing verliep soepel.
‘Laten we ons hier amuseren, Minner! Ik heb er altijd van gedroomd om nog eens hier te komen!’
‘We vermaken ons wel,’ beloofde hij.
Haar ogen glinsterden. Een kind — niet meer dan dat — was ze. Onschuldig, enthousiast, simpel — hij stipte haar kwaliteiten aan. Maar ze was warm. Ze liefkoosde en voedde en bemoederde hem, te veel. Hij wist dat hij haar onderschatte. Haar leven had zo weinig plezier gekend dat ze nog niet blasé geworden was van kleine pleziertjes. Ze kon open en met haar gehele inzet reageren op de parken van Chalk. Ze was jong. Maar niet leeg, trachtte Burris zich te overtuigen. Ze had geleden, Ze droeg littekens, evenals hij.
Читать дальше