De trap was uit. Ze rende het schip uit en de wachtkoepel binnen, en hij volgde haar en hij had even moeite om zijn benen te coördineren.
Vijfentwintig
Tranen van de maan
Lona keek ademloos toe hoe het kanon achteruitging en het vuurwerk omhooggleed, door de schacht, door de opening in de koepel en naar buiten de inktzwarte duisternis in.
Ze hield haar adem in.
De patroon explodeerde.
Kleuren bevlekten de nacht.
Er was geen lucht daarbuiten, niets om de kruitdeeltjes te steunen terwijl ze naar beneden zweefden. Ze zweefden zelfs niet, maar bleven min of meer waar ze waren. Het waren schitterende figuren. Ze lieten nu dieren zien. De vreemde vormen van buitenaardse wezens. Naast haar keek Burris even intens als alle anderen omhoog.
‘Heb je zulke dingen ooit eerder gezien?’ vroeg ze.
Het was een wezen met touwachtige haren, een eindeloos lange nek, afgeplatte peddels als poten. De een of andere moerassige wereld had hem voortgebracht.
‘Nooit.’
Een tweede patroon schoot de lucht in. Maar dit was alleen maar een spons die de peddelpotige uitwiste en het hemelse bord leegmaakte voor het volgende beeld.
Nog een schot.
Nog een.
Nog een.
‘Het is heel anders dan vuurwerk op aarde,’ zei ze. ‘Geen knal. Geen explosie. En alles bijft gewoon hangen. Als ze ’t niet uitveegden, Minner, hoelang zou ’t daar dan blijven?’
‘Een paar minuten. Er is hier ook zwaartekracht. De deeltjes zouden naar omlaag getrokken worden. En uit elkaar geslagen worden door kosmisch afval. Allerlei rommel komt uit de ruimte vallen.’
Hij stond altijd klaar voor een vraag, had altijd een antwoord. In ’t begin had die eigenschap haar ontzag ingeboezemd. Nu was het irritant. Ze wou dat ze hem kon vastzetten. Ze bleef ’t proberen. Haar vragen, wist ze, vond hij precies even vervelend als zij zijn antwoorden.
Een fijn stel zijn we. Nog niet eens op huwelijksreis en dan al kleine vallen voor elkaar zetten!
Ze keken een half uur naar het geluidloze vuurwerk. Toen werd ze onrustig en ze verwijderden zich.
‘Waar naartoe?’ vroeg hij.
‘Laten we gewoon een beetje lopen.’
Hij was gespannen en zenuwachtig. Ze voelde ‘t, voelde dat hij haar naar de keel zou springen als ze een blunder maakte. Hoezeer moest hij ’t haten om hier in dat stompzinnige amusementspark rond te lopen! Ze zaten hem behoorlijk aan te gapen. Haar ook, maar ze was interessant door wat er met haar gedaan was, niet door hoe ze eruitzag, en hun ogen bleven niet lang op haar gericht.
Ze gingen verder, door de ene corridor van kraampjes naar de andere.
Het was een kermis van het traditionele soort, volgens een patroon dat al eeuwen geleden was vastgelegd. De techniek was veranderd, maar het wezen niet. Hier waren behendigheidsspelletjes en de kermispoppen, goedkope restaurants die rommel verkochten; zweefmolens die elke derwish zouden passen; laag bij de grondse griezeltenten; dancings; goktenten; verduisterde theaters (Toegang alleen voor volwassenen!) waarin de afgezaagde mysteriën van het vlees werden vertoond; het vlooientheater en de sprekende hond; vuurwerk, hoe anders ook; schetterende muziek; helverlichte palen. Kilometers zwoel plezier, opgemaakt in de modernste trucage. Het meest kenmerkend verschil tussen Chalk’s Luna Tivoli en duizend kermissen van het verleden was de ligging, in de brede boezem van de Copernicuskrater, uitkijkend op de oostelijke boog van de ringmuur. Je ademde hier zuivere lucht in, maar je danste bij een zeer geringe zwaartekracht. Dit was Luna.
‘Draaikolk?’ vroeg een gladde stem. ‘De draaikolk, meneer, juffrouw?’
Lona ging glimlachend naar voren. Burris smeet wat munten neer en ze werden toegelaten. Een dozijn aluminium schelpen gaapten als de overblijfselen van reusachtige mosselen, drijvend op een meer van kwikzilver. Een steviggebouwde man met ontblote borst en een koperkleurige huid zei: ‘Schelp voor twee? Deze kant op, deze kant op!’
Burris hielp haar in een van de schelpen. Hij ging naast haar zitten. De bovenkant sloot zich. Binnenin was het donker, warm, benauwend. Er was net genoeg ruimte voor hun tweeën.
‘Prettige schootfantasieën,’ zei hij.
Ze pakte zijn hand en hield die stijf vast. Door het meer van kwikzilver kwam een vonk aandrijfkracht. Weg gingen ze, scherend over het onbekende. Door welke inktzwarte tunnels, door welke verborgen grotten? De schelp schommelde in een maalstroom. Lona gilde, weer, weer.
‘Ben je bang?’ vroeg hij.
‘Ik weet ’t niet. Het gaat zo snel!’
‘Er kan niets gebeuren.’
Het was alsof je dreef, alsof je vloog. Praktisch geen zwaartekracht en geen wrijving om hun snelle vaart te belemmeren terwijl ze voortgleden over de paden en lanen van de rit. Verborgen klepjes gingen open en geuren verspreidden zich.
‘Wat ruik jij?’ vroeg ze hem.
‘De woestijn. De geur van de hitte. En jij?’
‘Bossen op een regenachtige dag. Rottende bladeren, Minner. Hoe kan dat?’
Misschien nemen zijn zintuigen de dingen niet waar zoals de mijne, zoals die van de mensen. Hoe kan hij de woestijn ruiken? Die volle zware geur van verrotting en vochtigheid! Ze kon rode paddenstoelen de grond uit zien schieten. Kleine wezens met vele poten kropen rond. Een glimmende worm. En hij: de woestijn?
De schelp leek te kantelen, plat op zijn dragende medium te belanden en zich dan weer op te richten. De geur was veranderd toen Lona er weer op ging letten. ‘Nu is het de Arcade ’s avonds,’ zei ze. ‘Popcorn… zweet… gelach. Hoe ruikt gelach, Minner? Waar ruikt ’t volgens jou naar?’
‘De brandstofkamer van een schip als de kern verwisseld wordt. Er brandde iets een paar uur geleden. Bradend vet. ’t Is alsof er een spijker in je neusgaten wordt geslagen.’
‘Hoe kan ’t dat we niet dezelfde dingen ruiken?’
‘Psychovariatie van de reukzin. We ruiken de dingen die onze geest ons voorschotelt. Ze geven ons niet een bepaalde geur, maar meer de grondstof. Wij werken ze uit.’
‘Ik begrijp ’t niet, Minner.’
Hij zweeg. Er kwamen nog meer geuren: ziekenhuisgeur, maanlichtgeur, staalgeur, sneeuwgeur. Ze vroeg hem niet naar zijn reacties op die gegeneraliseerde stimulansen. De ene keer hijgde hij, de andere keer rilde hij en begroef zijn vingers in haar dij.
Het spervuur van geuren stopte.
Nog steeds gleed de gladde schelp verder, minuut na minuut. Nu kwamen er geluiden: kleine tinkelende geluiden, grote orgelpijpdreunen, hamerslagen, een ritmisch schrapen van schril op schril. Er ontging hen hierbij niets van wat er bedoeld werd. Het binnenste van de schelp werd koud, en dan weer warm; de vochtigheid varieerde in een complexe cyclus. Nu eens zigde de schelp en dan zagde hij weer. Hij draaide duizelingwekkend, een laatste stuiptrekking, en plotseling waren ze weer veilig in de haven. Zijn hand verzwolg de hare toen hij haar omhoogtrok.
‘Leuk?’ vroeg hij zonder te glimlachen.
‘Ik weet ’t niet. In elk geval ongewoon.’
Hij kocht een suikerspin voor haar. Ze passeerden een kraam waar je kleine glazen bolletjes op gouden doelen op een bewegend scherm moest gooien. Raak de roos drie- of viermaal en je wint een prijs. Mannen met aardse spieren worstelden met de zwaartekracht en misten, terwijl pruilende meisjes toekeken. Lona wees naar de prijzen: verfijnde, vreemde ontwerpen, abstracte rimpelige vormen uitgevoerd in donzig aanvoelende stof. ‘Win er een voor me, Minner,’ bedelde ze.
Hij stopte en keek hoe slecht de mannen wierpen. De meesten gooiden veel te hoog; sommigen, die het gemis aan zwaartekracht wilden compenseren, gooiden heel zacht en zagen hun knikkers vlak voor het doel langzaam naar beneden vallen. De menigte om de kraam heen stond dicht op elkaar toen hij zich ertussen wrong, maar de toeschouwers maakten plaats voor hem en schuifelden ongemakkelijk opzij. Lona merkte het en hoopte dat hij ’t niet deed.
Читать дальше