Een trage, slome regen zakte mistroostig uit een laag, grauw wolkendek. Het zat zo diep, zo vast, dat het leek alsof het nooit meer zou weggaan, alsof het in Amsterdam verder eeuwig zou regenen.
De Cock trok de kraag van zijn jas omhoog en drukte zijn oude hoedje verder naar voren. In zijn zo typische slenterpas schuifelde hij over het grind van de oude begraafplaats Zorgvlied. Het water droop van zijn gezicht.
Eveliena Petronella Maria de Groot werd begraven en De Cock had het gevoel dat hij erbij moest zijn, uit piëteit en omdat hij meende dat tante Evelien, die hij in leven niet had gekend, een vrouw was geweest met een warm hart.
De begraafplaats zag er triest en verlaten uit. De bloemen kleurden niet en zelfs de vogels hielden zich schuil. De Cock slenterde gebogen verder. Hij herinnerde zich dat hij eens onder exact dezelfde omstandigheden over het grind van Zorgvlied had gelopen. Maar dat was alweer vele jaren geleden. [8] Zie De Cock en de zorgvuldige moordenaar.
Hij keek op en zag in de verte een jongeman. Hij stond eenzaam en alleen onder een afdakje van de aula. Toen hij naderbij kwam, gleed er een glimlach van herkenning om zijn lippen. ‘Jasper de Groot,’ riep hij opgewekt. ‘Ik ben blij dat jij er bent.’ Hij keek om zich heen. ‘Waar is de rest van de familie?’
De jongeman schudde zijn hoofd.
‘De rest is er niet,’ sprak hij triest. ‘De rest is er nooit… niet bij leven, niet bij sterven.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Misschien wisten ze niet dat tante Evelien vandaag wordt begraven?’
Jasper de Groot grijnsde.
‘Ze wisten het. Ik ben het hun allen gaan vertellen. Ik kwam niet verder dan de deur en ze keken mij aan of ik lucht was… of ik niet meer bestond… alsof ik gelijk met tante Evelien was gestorven.’
Een grote lijkwagen reed met oneerbiedige snelheid de begraafplaats op. Bij de aula remde de wagen. De wielen knarsten in het grind. Een man stapte uit en rende in looppas op hen toe.
‘Komt u voor mevrouw De Groot?’
Ze knikten beiden.
‘O,’ zei de man. Hij was zichtbaar teleurgesteld. ‘U kunt ons volgen.’ Hij rende door de regen naar de wagen terug. Stapvoets reed hij verder de begraafplaats op.
Jasper de Groot en De Cock volgden. Ze liepen zwijgend naast elkaar. De zwartglanzende wagen zoemde voor hen uit.
De oude rechercheur blikte opzij. Het groene rafelige jack met koorden, dat de jongeman droeg, was doorweekt. Zijn rechterknie stak door zijn spijkerbroek en zijn voeten sopten in een paar versleten basketbalschoenen.
‘Dat vreemde staartje in je nek staat je niet.’
Jasper de Groot keek naar hem op.
‘Zal ik het afknippen?’
De Cock knikte traag.
‘Doe maar.’
Jasper de Groot slikte. Zijn grote bruine ogen vulden zich met tranen. Ze rolden over zijn wangen en vermengden zich met de regen.
‘Tante Evelien,’ slikte hij. ‘Ik heb nu niemand meer… niemand.’
De Cock zuchtte. Het verdriet van de jongeman deed hem pijn. Hij legde zijn arm om zijn schouders.
‘Als… eh, als je eens wilt douchen… of trek hebt? Mijn vrouw maakt een verrukkelijk ontbijt… gebakken eieren met bacon.’
Spottend: mensen die bij de behandeling van een moord ter plekke dienen te komen.
Papillair lijnenbeeld.
Idem.
Spottende uitdrukking voor een arm waarin een vermogen aan heroïne is gespoten.
Centrale Recherche Informatiedienst in Den Haag.
Polblad: politieadministratie van verdachten.
In vereniging: tezamen.
Zie De Cock en de zorgvuldige moordenaar.