Geluwgroene legerscharen,
honderdduizend, waar vandaan
zijt gij, vastgevoette blâren,
komen op de boomen staan?
Nauwlijks heeft twee lentezonnen
’s werelds blijde onthaal begroet,
of… wie zal ’t getellen konnen,
’t leger dat gij porren doet?
Werkzaam, onder ’t machtig streelen
van des morgens windgeweld,
op de berken, op de abeelen
zie ’k u, in ’t gelid gesteld.
’t Ruischt alom vol zware talen,
’t ruischt alom; en ’t krijgsgebaar,
stortende in de diepe dalen,
dooft alle andere stemmen daar.
Waar vandaan zijt, al in ’t blijde
doek gekleed, gij krijgeren dan?
Wie, die zulk een wereldwijde
legervastheid voeden kan?
Zijt ge uit louter locht gesteven,
zijt gij zonnestralen teer,
schielijk en van licht geweven,
duizendwendig bladerenheer?
Zijt gij ’t bloed en ’t merg der boomen,
’t boomzijn zelve, of anders iet
onbekend, dat uit wil stroomen,
al zoo zaan 27 27 Dra.
’t de zonne ziet?
Zijt gij… Uwe ontelbaarheden
staan het stormend volk gelijk,
strijdbaar in ’t bezit getreden
van des Winters koninkrijk!
Nutloos, in zijn’ zware ellenden,
heeft het land om hulp gewacht:
komt en stoort des vijands benden,
velt hem voor uw’ legermacht.
Breekt zijn’ bergsteê, slaat zijn’ ridderen,
scheurt zijn’ vanen: roept en tiert,
dat de verste velden zidderen
van ’t geruchte: zegeviert!
Vluchten moet hij weg; verwonnen,
wapenloos en wepel 28 28 Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.
, gaan
zitten waar, in ’t ijs geronnen,
onbewoond, zijn’ steden staan.
Ruischt dan maar, gij legerscharen;
zingt en trommelt overluid,
zegevolle zomerblâren:
morgen is de winter uit!
GEKAMDE KONING CANTECLAAR
Gekamde koning Canteclaar,
hoe geren zie ’k u komen daar;
gestapt zoo edeldrachtig
als Alexander, Atilla,
of Karloman zijn’ wederga:
heel keizerlijk almachtig!
Gij kraait, terwijl ge uw’ vlerken slaat,
en ’t stemgeluid dat henengaat,
uit uwen hals gedreven,
herwekt het slapend menschendom,
het boodschapt hem den dag weêrom,
den dag, het licht, en ’t leven.
Uw’ vonkelende ooge, uw’ rooden kam,
een laaiend beeld van vier en vlam,
uw’ zwakken steert, uw’ spooren,
uwe om end om geglimde borst,
uw’ strijdbaarheid, uw’ zegedorst,
uw’ stem, zoo schoon om hooren…
Wie is er die dat al beschrijft,
die, heel in woord en taal gelijfd,
doet leven u en waken?
Wie is er? Anders geen als gij,
heer Canteclaar, die machtig zij
uw evenbeeld te maken.
Vaart wel dan: ik ontgeef ’t mij, en
’k wil weten dat ik verre ben
bij u voortaan ten onderen;
gij hebt, o haan, den prijs behaald,
kraait koning nu, en zegepraalt,
en laat mij zwijgend wonderen!
O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT
Alre creature sake ende yersticheit.Ruusbrouck.
o Wilde en onvervalschte pracht
der blommen, langs den watergracht!
Hoe geren zie ’k u, aangedaan
zoo ’t God geliefde, in ’t water staan!
Geboren, arg- en schuldeloos,
daar God u eens te willen koos,
daar staat ge: en, in den zonneschijn,
al dat gij doet is blomme zijn!
’t Is wezen, ’t geen mijne ooge aanziet,
’t is waarheid, en ge’n dobbelt niet;
en die door u mijn hert verblijdt
is enkel, zoo gij enkel zijt!
Hoe stille is ’t! ’t En verwaait med al
geen bladtje, dat ons stooren zal;
geen rimpelken in ’t lief gelaat
des waters, dat vol blommen staat;
geen wind, geen woord: rondom gespreid,
al schaduwe, al stilzwijgendheid!
Dan, diepe, diepe in ’t water, blauwt,
half groen geblest 29 29 Gevlekt.
, de hemelvaut;
en, priemend’ hier en daar vergaat
een langgesponnen zonnedraad.
Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
kan toch eene enkele blomme zijn,
die, al med eens, en zorgloos, uit
de hand van heuren Schepper spruit!
Door Hem, en door geen menschenhand,
lag hier een nederig zaad geplant;
door Hem, op dezen oogenblik,
ontlook het, en dien troost heb ik,
dat, blomme, gij mij bidden doet,
en wezen zoo ik wezen moet:
aanschouwende en bevroedende in
elk uiterste einde ’t oorbegin,
den grond van alles; meer gezeid,
maar nog niet al: Gods eerstigheid.
WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER
Waar zit die heldere zanger, dien
ik hooren kan en zelden zien,
in ’t loof geborgen,
dees blijden Meidagmorgen?
Hij klinkt alom de vogels dood,
bij zijnder kelen wondergroot’
en felle slagen,
in bosschen en in hagen.
Waar zit hij? Neen, ’k en vind hem niet,
maar ’k hoore, ’k hoore, ’k hoore een lied
hem lustig weven:
het kettert in de dreven.
Zoo zit en zingt er menig man,
vroegmorgens op ’t getouwe, om, van
goên drom 30 30 Schering.
, te maken
langlijdend 31 31 Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.
lijwaadlaken.
De wever zingt, zijn’ webbe deunt 32 32 Schudt, trilt.
;
de la klabakt, ’t getouwe dreunt;
en lijzig varen
de spoelen heen, in ’t garen.
Zoo zit er, in den zomer zoel,
een, werpende, op den weverstoel
van groene blâren,
zijn duizendverwig garen.
Wat is hij: mensche of dier of wat?
Vol zoetheid, is ’t een wierookvat,
daar Engelenhanden,
onzichtbaar, reuke in branden?
Wat is hij? ’t Is een wekkerspel,
vol tanden fijn, vol snaren fel,
vol wakkere monden
van sprekend goud, gebonden.
Hij is… daar ik niet aan en kan,
een’ sparke viers, een’ boodschap van
veel hooger’ daken
als waarder menschen waken.
Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,
hoe diep’ hij lust en leven haalt,
als uit de gronden
van duizend orgelmonden!
Nu piept hij fijn, nu roept hij luid’;
en ’t zijpzapt hem ter kelen uit,
lijk waterbellen,
die van de daken rellen.
Geteld, nu tokt zijn taalgetik,
als ware ’t op een marbelstik 33 33 Stik = stuk.
,
dat perelkransen,
van ’t snoer gevallen, dansen.
Geen vogel of hij weet zijn lied,
zijn’ leise 34 34 Lied.
en al zijn stemgebied,
bij zijnder talen,
nauwkeurig af te malen.
Читать дальше