‘Het is geen speling der natuur,’ zei Jon kalm. ‘Dat is een schrikwolf. Die worden groter dan de andere soort.’
Theon Grauwvreugd zei: ‘Er is al in geen tweehonderd jaar een schrikwolf ten zuiden van de Muur gezien.’
‘Ik zie er nu een,’ antwoordde Jon.
Bran rukte zich los van de aanblik van het monster. Op dat ogenblik zag hij het bundeltje in Robbs armen. Hij slaakte een kreet van verrukking en kwam dichterbij. Het jong was een grijs bontballetje, de oogjes nog dicht. Terwijl Robb het tegen zijn borst hield snuffelde het onder zijn leren kledingstukken blindelings naar melk en jankte zacht en zielig. Aarzelend stak Bran een hand uit. ‘Toe maar,’ zei Robb tegen hem. ‘Je kunt hem aanraken.’
Bran gaf het jong snel een nerveuze aai. Toen draaide hij zich om, want Jon zei: ‘Alsjeblieft.’ Zijn halfbroer duwde hem een tweede jong in de armen. ‘Er zijn er vijf.’ Bran ging in de sneeuw zitten en drukte het jong tegen zijn gezicht. De vacht voelde zacht en warm aan op zijn wang.
‘Schrikwolven die loslopen in het rijk, na al die jaren,’ prevelde Hullen, de stalmeester. ‘Dat bevalt me niets.’
‘Het is een voorteken,’ zei Jory.
Vader fronste zijn voorhoofd. ‘Dit is alleen maar een dood beest, Jory,’ zei hij. Toch leek hij verontrust te zijn. Hij liep om het lichaam heen, en de sneeuw kraakte onder zijn laarzen. ‘Weten we waaraan ze gestorven is?’
‘Er steekt iets in haar keel,’ lichtte Robb hem in, trots dat hij het antwoord wist voordat zijn vader de vraag zelfs maar had gesteld.
‘Daar, vlak onder de kaak.’
Zijn vader knielde en voelde onder de kop van het beest. Hij gaf een ruk en stak iets omhoog zodat iedereen het kon zien. Een afgebroken stuk gewei, de stangen geknapt, helemaal nat van het bloed. Een plotselinge stilte daalde over het gezelschap neer. De mannen keken naar het gewei, niet op hun gemak. Niemand durfde iets te zeggen. Zelfs Bran bespeurde hun vrees, al begreep hij die niet. Zijn vader smeet het gewei weg en veegde zijn handen af aan de sneeuw. ‘Het verbaast me dat ze lang genoeg is blijven leven om te jongen,’ zei hij. Zijn stem verbrak de beklemming.
‘Misschien was dat niet zo,’ zei Jory. ‘Ik heb horen vertellen… misschien was de teef al dood toen de jongen kwamen.’
‘Geboren uit een lijk,’ bracht een ander te berde. ‘Des te erger.’
‘Doet er niet toe,’ zei Hullen. ‘Zij zijn er binnenkort ook geweest.’
Bran slaakte een woordeloze kreet van ontsteltenis.
‘Hoe eerder, hoe beter,’ beaamde Theon Grauwvreugd. Hij trok zijn zwaard. ‘Geef dat beest eens hier, Bran.’
Het dingetje kronkelde tegen hem aan alsof het alles gehoord en begrepen had. ‘ Nee!’ riep Bran heftig. ‘Hij is van mij.’
‘Doe dat zwaard weg, Grauwvreugd,’ zei Robb. Even klonk hij net zo bevelend als hun vader, als de heer die hij eens zou zijn. ‘We houden ze.’
‘Dat kun je niet doen, jongen,’ zei Harwin, de zoon van Hullen.
‘Het is niet meer dan barmhartig om ze te doden,’ zei Hullen. Bran keek hulpzoekend naar zijn vader maar stuitte slechts op een frons, een voorhoofd vol rimpels. ‘Hullen spreekt een waar woord, zoon. Beter een snel einde dan een wrede dood door kou en honger.’
‘Nee!’ Hij voelde hoe de tranen hem in de ogen sprongen en keek de andere kant op. Hij wilde niet huilen waar zijn vader bij was. Robb bood koppig weerstand. ‘Ser Rodriks rode teef heeft afgelopen week weer gejongd,’ zei hij. ‘Een klein nest, twee levende jongen maar. Zij zal wel melk genoeg hebben.’
‘Ze scheurt ze aan stukken zodra ze proberen te drinken.’
‘Heer Stark,’ zei Jon. Het was vreemd om hem vader op die manier te horen aanspreken, zo formeel. Bran keek hem aan, hopend tegen zijn wanhoop in. ‘Er zijn vijf jongen,’ zei hij tegen vader. ‘Drie mannetjes, twee wijfjes.’
‘Ja, en wat dan nog, Jon?’
‘U hebt vijf wettige kinderen,’ zei Jon. ‘Drie zonen, twee dochters. Het wapenteken van uw Huis is een schrikwolf. Uw kinderen zijn voorbestemd om die jongen te hebben, heer.’
Bran zag de verandering op zijn vaders gezicht, zag hoe de andere mannen elkaar aankeken. Op dat moment hield hij met heel zijn hart van Jon. Al was hij pas zeven, Bran begreep wat zijn broer had gedaan. De rekensom klopte alleen omdat Jon zichzelf had weggecijferd. Hij had de meisjes meegeteld, hij had zelfs de peuter Rickon meegeteld, maar niet de bastaard die de toenaam Sneeuw droeg, de naam waarvan de gewoonte voorschreef dat hij werd gegeven aan iedereen in het noorden die de pech had zonder eigen naam geboren te worden. Hun vader begreep het ook. ‘Je wilt geen jong voor jezelf, Jon?’ vroeg hij zachtjes.
‘De schrikwolf tooit de banieren van het Huis Stark,’ bracht Jon naar voren. ‘Ik ben geen Stark, vader.’
Hun heer vader keek Jon peinzend aan. Robb haastte zich om de stilte die hij liet vallen op te vullen. ‘Ik zal hem zelf verzorgen, vader,’ beloofde hij. ‘Ik drenk een doek in warme melk en laat hem daaraan zuigen.’
‘Ik ook!’ echode Bran.
Heer Stark mat zijn zonen lang en zorgvuldig met zijn blikken.
‘Dat is makkelijk gezegd. Maar ik wil niet dat jullie de tijd van de bedienden hiermee verspillen. Als jullie deze jongen willen hebben, dan voeren jullie ze zelf. Begrepen?’
Bran knikte gretig. Het jong kronkelde in zijn greep en likte met een warme tong zijn gezicht.
‘Jullie moeten ze ook africhten,’ zei hun vader. ‘ Jullie richten ze af. Ik voorspel jullie dat de kennelmeester niets met deze monsters te maken zal willen hebben. En de goden zij jullie genadig als jullie ze verwaarlozen of ruw bejegenen of slecht africhten. Dit zijn geen honden die om lekkers bedelen en na één trap met de staart tussen de poten afdruipen. Een schrikwolf rukt even makkelijk een arm van een volwassen man af als een hond een rat doodbijt. Weten jullie zeker dat je dit wilt?’
‘Ja, vader,’ zei Bran.
‘Ja,’ beaamde Robb.
‘De jongen sterven misschien toch, ongeacht wat jullie allemaal doen.’
‘Ze gaan niet dood,’ zei Robb. ‘We laten ze niet doodgaan.’
‘Hou ze dan maar. Jory, Desmond, nemen jullie de overige jongen mee. Het wordt tijd dat we naar Winterfel teruggaan.’
Pas toen ze opgestegen en onderweg waren stond Bran zichzelf toe, het zoet van de overwinning te proeven. Tegen die tijd was zijn wolfsjong onder het leer van zijn kleding gekropen en had zich warm tegen hem aan genesteld, veilig opgeborgen voor de lange rit naar huis. Bran vroeg zich af hoe hij hem moest noemen.
Halverwege de brug hield Jon abrupt halt.
‘Wat is er, Jon?’ vroeg hun heer vader.
‘Horen jullie het niet?’
Bran hoorde de wind in de bomen, hun hoefgetrappel op de ijzerhouten planken, het zachte gejank van zijn hongerige wolfsjong, maar Jon luisterde naar iets anders.
‘Daar,’ zei Jon. Hij wendde zijn paard en galoppeerde terug over de brug. Ze keken toe hoe hij afsteeg op de plek waar de dode schrikwolf in de sneeuw lag, keken toe hoe hij neerknielde. Even later kwam hij glimlachend terugrijden.
‘Hij moet bij de andere vandaan zijn gekropen,’ zei Jon.
‘Of hij was verstoten,’ zei zijn vader met een blik op het zesde jong. De vacht was wit, terwijl de rest van het nest grijs was. De ogen waren rood als het bloed van de haveloze man die vanmorgen gestorven was. Bran vond het vreemd dat alleen dit jong de oogjes geopend had terwijl zijn nestgenoten nog blind waren.
‘Een albino,’ zei Theon Grauwvreugd met een scheef lachje. ‘Die gaat nog eerder dood dan de rest.’
Jon Sneeuw wierp zijn vaders pupil een lange, ijzige blik toe. ‘Ik denk het niet, Grauwvreugd,’ zei hij. ‘Deze is van mij.’
Catelyn had zich nooit prettig gevoeld in dit godenwoud. Ze was een Tulling, geboren in het zuidelijke Stroomvliet, aan de Rode Vork van de Drietand. Daar was het godenwoud een lichte, luchtige tuin waarin hoge sequoia’s gevlekte schaduwen over klaterende beekjes wierpen, vogels in verborgen nesten zongen en de lucht vervuld was van bloemengeuren.
Читать дальше