Ville Ahonen was een zeer grote, rustige man van weinig woorden, die geduldig naar Burton luisterde.
Burton onthulde maar de helft van zijn plan en zei, dat hij een boot wilde bouwen, zodat hij naar het einde van De Rivier kon reizen. Hij vertelde niet dat hij nog verder wilde gaan, maar Ahonen had blijkbaar anderen als hem ontmoet.
Hij glimlachte wijs en antwoordde dat Burton een vaartuig kon bouwen. De mensen in deze omgeving waren echter conservatief en geloofden niet in de ontbossing van het land. Eiken en pijnbomen moesten met rust gelaten worden maar bamboe was voor gebruik beschikbaar. Zelfs dit materiaal moest met sigaretten en drank worden gekocht. Het zou hem enige tijd kosten om hiervan uit zijn graal wat op te sparen.
Burton bedankte hem en ging weg. Later ging hij in een hut naast die van Collop naar bed maar hij kon niet in slaap komen.
Kort voor de komst van de onvermijdelijke regens, besloot hij de hut te verlaten. Hij wilde de bergen ingaan, onder een richel schuilen totdat de regens ophielden, de wolken verdwenen en de eeuwige maar zwakke zon zich weer deed gevoelen. Nu hij zo dichtbij zijn doel was, wilde hij niet door Hen verrast worden en het leek waarschijnlijk dat de Ethici hier agenten hadden geconcentreerd. Voorzover hij wist zou zelfs de vrouw van Collop een van Hen kunnen zijn.
Voor hij vijfhonderd meter gelopen had sloeg de regen op hem neer en de bliksem sloeg dichtbij in de grond. In het licht van de verblindende flits zag hij iets vlak voor en ongeveer zes meter boven hem trillend gedaante aannemen. Razendsnel draaide hij zich om en rende in de richting van een groepje bomen in de hoop dat Zij hem niet hadden gezien zodat hij zich daar zou kunnen verbergen. Als hij onopgemerkt bleef kon hij daarna de bergen ingaan. Als Zij iedereen hier in slaap hadden gebracht zouden Zij merken dat hij opnieuw verdwenen was...
‘We hebben langdurig en moeizaam jacht op je moeten maken, Burton,’ zei een man in het Engels.
Burton deed zijn ogen open. De overgang naar deze plaats was zo onverwacht dat hij ervan duizelde, maar dat duurde maar een ogenblik. Hij zat in een stoel van zeer zacht, veerkrachtig materiaal. De kamer had een volmaakte bolvorm; de wanden waren van een half doorzichtig, zeer lichtgroen materiaal. Aan alle kanten, voor, achter, boven en, als hij zich vooroverboog, beneden zich kon hij andere, bolvormige kamers zien. Hij raakte opnieuw verward omdat de andere kamers de wanden van zijn bol niet alleen maar raakten, zij doorsneden elkaar. Gedeelten van de andere kamers kwamen zijn kamer binnen maar werden dan zo kleurloos en helder dat hij ze nauwelijks kon onderscheiden.
Op de muur aan de andere kant van zijn kamer bevond zich een donkergroene ovaal. Deze boog met de wand mee. In het ovaal was een spookachtig woud afgebeeld. Een spookhert wandelde door het beeld. Uit het beeld kwam de geur van pijnbomen en rode kornoelje.
Tegenover hem zaten twaalf mensen in dezelfde stoelen als de zijne. Zes ervan waren mannen, zes vrouwen. Allen waren bijzonder knap van uiterlijk. Met uitzondering van twee, hadden allen zwart of donkerbruin haar en een diep gebronsde huid. Het haar van één man krulde zo sterk dat het bijna kroeshaar was. Een van de vrouwen had lang, golvend, blond haar dat in een knot was gewonden. Eén man had rood haar, rood als vossenbont. Hij was mooi met zijn onregelmatige trekken, zijn lange gebogen neus en donkergroene ogen.
Allen waren in zilverachtige of purperen blouses met korte, uitstaande mouwen, geplooide kragen, smalle, lichtgevende riemen, kilts en sandalen, gekleed. Zowel mannen als vrouwen hadden beschilderde vinger- en teennagels, met lippenstift aangezette lippen, oorringen en oogschaduw.
Boven het hoofd van ieder van hen, zodat hij bijna het haar raakte, draaide een veelkleurige bol van ongeveer vijftien centimeter middellijn. Zij tolden, schitterden en veranderden van kleur waarbij zij iedere kleurschakering van het spectrum doorliepen. Af en toe stootten de bollen lange, zeshoekige armen in groen, blauw, zwart of glanzend wit naar buiten. Deze armen zonken vervolgens ineen en werden dan door andere zeshoeken opgevolgd.
Burton keek omlaag. Hij was alleen in een zwarte doek, die om het middel was bevestigd, gekleed.
‘Ik zal je eerste vraag vóór zijn door je te zeggen dat we je geen enkele inlichting over je verblijfplaats zullen verstrekken.’
De spreker was de roodharige man. Hij grinnikte tegen Burton en liet onmenselijk witte tanden zien.
‘Zoals u wilt,’ zei Burton. ‘Wat voor vragen wilt u dan wel beantwoorden? Wie jullie zijn en bijvoorbeeld hoe jullie me gevonden hebben?’
‘Ik heet Loga,’ zei de roodharige man. ‘We hebben je door een combinatie van speurwerk en geluk gevonden. Het was een gecompliceerd proces maar ik zal het voor je vereenvoudigen. We hadden een aantal agenten die naar je uitkeken, een belachelijk klein aantal in het licht van de zesendertig miljard, zes miljoen negendui-zendzeshonderdzevenendertig kandidaten die langs De Rivier wonen.’
‘Kandidaten?’ dacht Burton. ‘Kandidaten waarvoor, voor het eeuwige leven? Had Spruce dan de waarheid over het doel achter de Verrijzenis verteld?’
Loga zei: ‘We hadden er geen idee van dat je ons door middel van zelfmoord ontsnapte. Zelfs toen je ontdekt werd in gebieden die zo ver uiteen lagen dat je met geen mogelijkheid daar had kunnen komen behalve dan door verrijzenis, hadden we nog geen vermoeden. We dachten dat je gedood en daarna verplaatst was. De jaren gingen voorbij. We hadden geen vermoeden waar je was. We hadden andere dingen te doen en we trokken dus alle agenten van de Zaak Burton, zoals we het noemden, terug behalve dan enkelen die aan beide einden van De Rivier gestationeerd bleven. Op de een of andere wijze had je kennis van de pooltoren. Later ontdekten we hoe. Je vrienden Göring en Collop waren heel behulpzaam, hoewel zij natuurlijk niet wisten dat zij met Ethici spraken.’
‘Wie bracht jullie op de hoogte dat ik bij het einde van De Rivier was?’ zei Burton.
Loga glimlachte en zei: ‘Dat hoef je niet te weten. We zouden je in ieder geval toch te pakken gekregen hebben. Je moet weten dat iedere plaats in de restauratietank — de plaats waar je gedurende de preverrijzenisfase op onverklaarbare wijze ontwaakte — een automatische teller heeft. Die werd voor statistische- en onderzoekdoeleinden aangebracht. We houden graag aantekening van wat er gaande is. Elke kandidaat bijvoorbeeld, die meer dan het normale aantal keren sterft, wordt vroeger of later studieobject. Gewoonlijk later omdat we nogal krap in het personeel zitten. Pas bij je 777e dood kwamen we ertoe een paar van de verrijzenissen met hoge frequentie te bekijken. De jouwe was de hoogste. Ik veronderstel dat we je daarmee mogen feliciteren.’
‘Zijn er dan ook anderen?’
‘Die worden niet achtervolgd, als je dat bedoelt. Relatief gezien zijn het er niet veel. We hadden er geen idee van dat jij dit ontstellende aantal erdoor had gejaagd. Jouw plaats in de preverrijzenistank was leeg toen we er tijdens ons statistisch onderzoek naar keken. De twee technici die je gezien hadden toen je in de preverrijzenistank wakker werd, identificeerden je aan de hand van je... foto. We stelden het verrijzenismechanisme zo af dat de eerstvolgende keer dat je lichaam moest worden herschapen, een alarmbel ons zou waarschuwen, zodat we je naar deze plaats konden overbrengen.’
‘En als ik niet opnieuw was gestorven?’ vroeg Burton.
‘Je móest wel sterven! Je was toch van plan je pogingen om de poolzee via de monding van De Rivier binnen te komen door te zetten, nietwaar? Dat is onmogelijk. De laatste honderd kilometer van De Rivier lopen door een ondergrondse tunnel. Elke boot zou aan stukken worden geslagen. Net als de anderen die de reis gewaagd hebben zou je zijn omgekomen.’
Читать дальше