Een veer binnenin haar lichaam spande zich strakker… strakker… strakker…
Een veer die al zeventien jaar lang steeds verder gespannen was… en die nu lossprong in één enkel moment van beroering.
Ze trok haar mond weg van de zijne. Haar kaken werden van elkaar gewrongen en een spierbundel trilde in haar keel. Een schroeiend beeld brandde zich in haar geest: zijzelf op een operatietafel, onder verdoving, haar lichaam open voor de onderzoekende blik van de mannen in ’t wit. Ze sloeg het beeld stuk met een bliksemschicht en het vergruizelde en verkruimelde.
Ze klemde zich aan hem vast.
Eindelijk! Eindelijk!
Hij zou haar geen baby’s geven. Dat voelde ze, maar het deed er niet toe.
‘Lona,’ zei hij met zijn gezicht tegen haar sleutelbeen, met een stem die gesmoord en onduidelijk klonk. ‘Lona, Lona, Lona…’
Een heldere flits, als een exploderende zon. Haar hand ging op en neer over zijn rug en net voordat ze zich verenigden kwam de gedachte bij haar op dat zijn huid droog was, dat hij helemaal niet transpireerde. Toen hijgde ze, voelde pijn en genot in éen krampachtige eenheid en luisterde met verbazing naar de schrille kreten van lust die als het ware onafhankelijk van haar uit haar samengeknepen keel opwelden.
Twintig
Na ons de woeste god
Het was een postapocalyptisch tijdperk. De verdoemenis waarvan de profeten hadden gesproken was nooit gekomen; of, als hij wel gekomen was, had de wereld hem overleefd en was in rustiger vaarwater gekomen. Ze hadden het ergste voorspeld, een Fimbulwinter van universele ontevredenheid. Een bijltijdperk, een zwaardtijdperk, een windtijdperk, een wolftijdperk voordat de wereld wankelt. Maar de schilden werden niet gekloven, en de duisternis viel niet. Wat was er gebeurd en waarom? Duncan Chalk, een van degenen die het meeste profijt trokken van het nieuwe tijdperk, overdacht deze aangename kwestie dikwijls.
De zwaarden waren nu ploegmessen.
De honger was verdreven.
De bevolkingsgroei werd geleid.
De mens vervuilde zijn eigen milieu niet langer met iedere dagelijkse daad. De lucht was betrekkelijk zuiver. De rivieren stroomden klaar. Er waren meren van kristalblauw, parken van frisgroen. Natuurlijk, het duizendjarige rijk was nog niet gearriveerd; er bestond nog misdaad, ziekte, honger op dit moment. Maar dat was in de duistere plaatsen. Voor de meesten was het een eeuw van rust. Degenen die een crisis zochten, zochten die daarin.
De communicatie in deze wereld was ogenblikkelijk. Het transport was aanmerkelijk langzamer dan dat, maar toch nog snel. De planeten van het eigen zonnestelsel, nog onbevolkt, werden geplunderd en beroofd van hun metalen, hun mineralen, en zelfs van hun gaswolken. De dichtstbijzijnde sterren waren bereikt. De aarde kende voorspoed. De ideologieën van de armoede verdorren pijnlijk in een tijd van overvloed.
Toch is overvloed relatief. Behoeften en verlangens blijven — de materialistische drang. De diepere, duisterder honger werd niet altijd bevredigd door overvloedige cheques alleen. Een tijdperk beslist voor zichzelf de kenmerkende vormen van amusement. Chalk was een van de scheppers geweest van deze vormen.
Zijn amusementsimperium strekte zich tot halverwege het zonnestelsel uit. Het bracht hem rijkdom, macht, de bevrediging van het ego, en — in de mate waarin hij die begeerde — roem. Het bracht hem indirect tot de vervulling van zijn innerlijke behoeften, die voortkwamen uit zijn eigen fysieke en psychische constellatie en die zwaar op hem gedrukt zouden hebben als hij in een andere tijd geboren was. Nu verkeerde hij tot zijn gemak in een positie waarin hij stappen kon nemen die hem naar de positie voerden die hij begeerde.
Hij moest veelvuldig gevoed worden. En zijn voedsel bestond maar ten dele uit vlees en groente.
Van het centrum van zijn imperium volgde Chalk de lotgevallen van zijn door het noodlot achtervolgde liefdespaar. Ze waren op ’t ogenblik onderweg naar Antarctica. Hij ontving regelmatig rapporten van Aoudad en Nikolaides, de gluurders aan het liefdesbed. Maar op dit moment had Chalk zijn loopjongens niet langer nodig om hem te vertellen wat er aan de hand was. Hij had zelf contact gemaakt en trok zijn eigen soort informatie uit de twee versplinterde wezens die hij bij elkaar had gebracht. Wat hij nu uit hen kreeg was een weldadige stroom van geluk. Nutteloos, voor Chalk. Maar hij speelde het spel geduldig. Wederzijdse sympathie had hen dicht bij elkaar gebracht, maar was sympathie een geschikte ondergrond voor een onsterfelijke liefde? Chalk dacht van niet. Hij was bereid om een fortuin in te zetten om dit punt te bewijzen. Ze zouden veranderen ten opzichte van elkaar. En Chalk zou er om zo te zeggen zijn winst uithalen.
Aoudad was nu op het net. ‘We komen net aan, meneer. Ze worden naar het hotel vervoerd.’
‘Goed. Goed. Zorg ervoor dat ’t hun aan niets ontbreekt.’
‘Vanzelfsprekend.’
‘Maar breng niet al teveel tijd met ze door. Ze willen alleen zijn en niet achterna gelopen worden door chaperones. Volg je me, Aoudad?’
‘Ze zullen de hele pool voor zichzelf hebben.’
Chalk glimlachte. Hun reis zou een liefdesdroom worden. Het was een elegant tijdperk en degenen met de juiste sleutel konden deur na deur van genot openen. Burris en Lona zouden zich wel vermaken.
De apocalyps kwam later wel.
Eenentwintig
En zuidwaarts vluchtten we
‘Ik begrijp ’t niet,’ zei Lona. ‘Hoe kan ’t hier zomer zijn? Toen we vertrokken was ’t winter!’
‘Op ’t noordelijk halfrond, ja.’ Burris zuchtte. ‘Maar nu zitten we ten zuiden van de evenaar. Zover als maar mogelijk is. De seizoenen zijn hier andersom. Als wij zomer hebben, hebben zij winter. En nu is ’t hier zomer.’
‘Ja, maar waarom?’
‘Het heeft te maken met de manier waarop de Aarde om zijn as draait. Terwijl hij een baan om de zon beschrijft ligt een deel van de planeet in een gunstige positie om door het zonlicht verwarmd te worden, en het andere deel niet. Als ik hier een globe had zou ik ’t je kunnen laten zien.’
‘Als ’t hier zomer is, waarom ligt er dan nog zoveel ijs?’
De zachte, zeurende toon van haar vragen ergerde Burris nog meer dan de vragen zelf. Burris werd plotseling door een duizeling overvallen. Hij kreeg kramp in zijn middenrif terwijl mysterieuze organen hun secreties van woede in zijn bloed spoten.
‘Verdomme, Lona, heb je nooit op school gezeten?’ beet hij haar toe.
Ze deinsde terug van hem. ‘Schreeuw niet tegen me, Minner. Alsjeblieft, schreeuw niet tegen me.’
‘Hebben ze je nooit iets geleerd?’
‘Ik ben al vroeg van school afgegaan. Ik was geen goede leerling.’
‘En ben ik nu je leraar?’
‘Je hoeft niet,’ zei Lona zacht. Haar ogen stonden nu te helder. ‘Je hoeft helemaal niets voor me te zijn als je dat niet wilt.’
Hij ging plotseling in de verdediging. ‘Ik wilde niet tegen je schreeuwen.’
‘Maar je schreeuwde.’
‘Ik verloor mijn geduld. Al die vragen —’
‘Al die stomme vragen — wilde je dat eigenlijk niet zeggen?’
‘Laten we ophouden, Lona, meteen. Het spijt me dat ik tegen je uitviel. Ik heb vannacht niet goed geslapen en ik ben geprikkeld. Laten we een wandeling maken. Ik zal je de wisseling van de seizoenen proberen uit te leggen.’
‘Ik ben ook weer niet zó geïnteresseerd in de seizoenen, Minner.’
‘Vergeet de seizoenen dan. Maar laten we gaan wandelen. Laten we proberen om wat kalmer te worden.’
‘Denk je dat ik vannacht goed geslapen heb?’
Hij vond de tijd gekomen om te glimlachen. ‘Ik denk eigenlijk van niet, nee.’
‘Maar schreeuw ik en klaag ik soms?’
‘In feite wel. Dus laten we hier maar ophouden en een ontspannende wandeling gaan maken. Ja?’
Читать дальше