Ze voelde zich alsof ze voorover ging vallen, zou tuimelen in de gapende leegte voor haar.
‘O!’ Scherp. Met trillende knieën en een droge keel zwaaide ze op haar benen en knipperde met haar ogen. Angst doorboorde haar op duizend plaatsen. Ze zou kunnen vallen en door de afgrond verzwolgen worden; of haar sprayjapon zou smelten en haar naakt te kijk zetten voor deze modieuze horde; of die heks met de reuzenuiers zou terugkomen en hen aanvallen terwijl ze zaten te eten; of ze zou een verschikkelijke blunder maken aan tafel; of ze zou plotseling door een hevige misselijkheid worden overvallen en het tapijt besmeuren met haar braaksel. Er kon van alles gebeuren. Dit restaurant was in een droom bedacht, maar niet noodzakelijk een fijne droom.
Een gesluierde stem uit het niets sprak zacht: ‘Meneer Burris, Juffrouw Kelvin, welkom in de Melkwegzaal. Komt u naar voren alstublieft.’
‘We gaan op die zwaartekrachtplaat,’ zei Burris in haar oor.
De koperachtige plaat was een schijf van twee centimeter dik en twee meter in doorsnee, en kwam te voorschijn uit de rand van hun platform. Burris hielp haar erop en direct gleed hij uit zijn houder en begon te stijgen. Lona keek niet naar omlaag. De zwevende plaat nam hen mee naar de verste zijde van de grote zaal en kwam tot stilstand naast een vrije tafel die wankel stond op een uitstekende richel.
Bij het uitstappen hielp Burris Lona op de richel. De draagschijf zeilde weer weg naar zijn standplaats. Lona keek een ogenblik op zijn zijkant en zag dat hij een schitterende corona had van indirect licht.
De tafel, die op éen poot stond, leek wel uit de richel te groeien. Lona ging opgelucht in haar stoel zitten, die zich onmiddelijk naar de contouren van haar rug en billen voegde. Er was iets obsceens aan die vertrouwelijke greep, maar het was ook geruststellend; die stoel, dacht ze, zou haar niet loslaten als ze duizelig werd en naar de steile afgrond aan haar linkerkant begon te vallen.
‘Hoe vind je ‘t?’ vroeg Burris terwijl hij haar in de ogen keek.
‘Het is ongelofelijk. Ik had me nooit voorgesteld dat ’t zo zou zijn.’ Ze vertelde er niet bij dat ze er bijna misselijk van werd.
‘We hebben een uitgelezen plaats. Het is waarschijnlijk de tafel die Chalk zelf gebruikt als hij hier komt eten.’
‘Ik heb nooit geweten dat er zoveel sterren waren!’ Ze keken naar boven. Van de plaats waar ze zaten hadden ze een onbelemmerd uitzicht van bijna honderd vijf tig graden. Burris noemde haar de sterren en planeten.
‘Mars,’ zei hij. ‘Dat is gemakkelijk: die grote oranje. Maar zie je ook Saturnus? De ringen zijn niet zichtbaar natuurlijk, maar…’ Hij nam haar hand, richtte die en beschreef een boog langs het firmament totdat ze dacht dat ze zag welke hij bedoelde. ‘Daar zitten we binnenkort, Lona. Titan is van hieraf niet zichtbaar, tenminste niet met het blote oog, maar over niet al te lange tijd lopen we er zelf. En dan zien we ook die ringen! Kijk, kijk daar: Orion. En Pegasus.’ Hij somde de sterrenbeelden voor haar op. Hij noemde de sterren met een duidelijk plezier in de klank van hun namen: Sirius, Arcturus, Polaris, Bellatrix, Rigel, Algol, Antares, Betelgeuse, Aldebaran, Procyon, Markab, Deneb, Vega, Alphecca. ‘Elk is een zon,’ zei hij. ‘De meeste hebben werelden. En ze liggen allemaal voor ons uitgespreid!’
‘Heb je veel andere zonnen bezocht?’
‘Elf. Negen met planeten.’
‘Zitten daar degene die je net noemde bij? Ik vind die namen zo mooi.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘De zonnen waar ik heen ben gegaan hadden nummers, geen namen. Tenminste geen namen die door mensen van de Aarde waren gegeven. De meeste daarvan hadden andere namen. Sommige ben ik te weten gekomen.’ Ze zag zijn mondhoeken opengaan en zich snel weer sluiten: een teken dat hij gespannen was, had Lona geleerd. Zou ik met hem wel over de sterren praten? Misschien wil hij er niet aan herinnerd worden.
Onder dit heldere gewelf kon ze het onderwerp toch niet met rust laten.
‘Ga je daar ooit weer eens heen?’ vroeg ze.
‘Buiten dit stelsel? Ik betwijfel het. Ik ben nu uit dienst. En er zijn nog geen toeristische vluchten naar naburige sterren. Maar natuurlijk ga ik wel weer van de aarde af. Met jou: de planetentoer. Niet helemaal hetzelfde. Maar wel veiliger.’
‘Kan je — kan je —’ zei ze moeilijk, en sprak haastig verder — ‘me de planeet aanwijzen waar je — gevangen werd genomen?’
Drie keer vertrok hij zijn mond, zeer snel. ‘Het is een blauwachtige zon. Vanaf dit halfrond kun je hem niet zien. Met ’t blote oog kun je hem ook van het andere niet zien. Zes planeten. Manipool is de vierde. Toen we er omheen cirkelden en zo’n beetje klaar waren om te dalen, voelde ik me vreemd opgewonden. Alsof mijn lot me naar deze plaats trok. Misschien heb ik wel een beetje een profetische gave in me, hè, Lona? Manipool heeft zeker een groot aandeel in mijn lot gehad. Maar ik kan wel zeggen dat ik geen ziener ben. Van tijd tot tijd word ik getroffen door een sterke overtuiging dat ik er nog een keer naar terugga. En dat is absurd. Om daar weer naar terug te gaan… om Hen weer te ontmoeten…’ Zijn hand sloot zich plotseling en balde zich met een krampachtige schok die zijn hele arm naar binnen trok. Een vaas met blauwe, leerachtige bloemen stortte bijna de diepte in. Lona ving hem op. Ze zag, toen hij zijn hand sloot, dat het kleine buitenste tentakel zich netjes over de rug van zijn vingers legde. Ze legde haar handen over de zijne en hield die bij de knokkels vast totdat de spanning wegebde en zijn vingers weer opengingen.
‘Laten we niet over Manipool praten,’ stelde ze voor. ‘Maar de sterren zijn prachtig.’
‘Ja. Ik heb er eigenlijk nooit in die zin over gedacht totdat ik van mijn eerste reis naar de aarde terugkeerde. We zien ze alleen maar als lichtgevende stippen van hieruit. Maar wanneer je daarboven gevangen bent in een kruisvuur van sterrenlicht, dan die en dan die kant uitspringend, dan is ’t anders. Ze drukken hun stempel op je. Weet je, Lona, dat je uit deze zaal een uitzicht hebt op de sterren dat bijna even scherp is als wat je uit het venster van een ruimteschip ziet?’
‘Hoe doen ze het? Ik heb nog nooit zoiets gezien.’
Hij probeerde haar uit te leggen hoe het gordijn van zwart licht werkte. Na de derde zin kon Lona hem al niet meer volgen, maar ze keek intens in zijn vreemde ogen, voorwendend dat ze luisterde en wetend dat ze hem niet mocht teleurstellen. Hij wist zoveel! En toch was hij bang in deze zaal van heerlijkheden, net zoals zij bang was. Zolang ze bleven praten wierp dit een barrière op tegen de angst.
Maar in de stilten die er vielen was Lona zich storend bewust van de honderden rijke en deftige mensen overal om zich heen, en van de overweldigende luxe van de zaal, en van de afgrond naast haar, en van haar eigen onwetendheid en onervarenheid. Ze voelde zich naakt onder het laaiende sterrenlicht. In de pauzes in het gesprek werd zelfs Burris weer vreemd voor haar; zijn vervormingen, die ze al bijna niet meer merkte, werden opeens weer zeer opvallend.
‘Wil je iets drinken?’ vroeg hij.
‘Ja. Ja, alsjeblieft. Bestel jij maar. Ik weet niet wat ik moet nemen.’
Er was geen enkele kelner, mens of robot, in zicht en Lona zag er ook niet een bij andere tafels. Burris gaf de bestelling eenvoudig op door in een gouden rooster te spreken dat zich bij zijn linkerelleboog bevond. Zijn koele kennis van zaken boezemde haar ontzag in, en ze vermoedde zo half en half dat ’t ook zo bedoeld was. Ze zei: ‘Heb je hier vaak gegeten? Je schijnt te weten wat je moet doen.’
‘Ik ben hier één keer geweest. Meer dan tien jaar geleden. Het is geen plek die je gemakkelijk vergeet.’
‘Was je toen al ruimteman?’
‘O ja, ik had al een paar reizen achter de rug. Ik was met verlof. Er was een meisje op wie ik indruk wilde maken —’
Читать дальше