‘O.’
‘Ik maakte geen indruk op haar. Ze trouwde met iemand anders. Ze werden gedood toen het Wiel uit elkaar sprong, op hun huwelijksreis.’
Tien jaar of langer geleden, dacht Lona. Ze was toen nog geen zeven. Naast hem voelde ze zich klein van jeugdigheid. Ze was blij dat de drankjes arriveerden.
Ze kwamen over de afgrond aanscheren op een gravitronblad. Lona stond versteld dat geen van de dienbladen, die zeer talrijk waren zoals ze nu opmerkte, ooit met elkaar in botsing kwamen terwijl ze naar de tafels zoefden. Maar natuurlijk, het was niet zo verschrikkelijk moeilijk om elkaar niet kruisende banen te programmeren.
Haar drankje kwam in een kom van gepolijste zwarte steen, dik aanvoelend in de hand, maar zacht en dun tegen de lippen. Ze pakte de kom op en bracht hem automatisch naar haar mond; toen, terwijl ze even wachtte voor ze een slok nam, werd ze zich van haar vergissing bewust. Burris wachtte met een glimlach op de lippen, en zijn glas nog voor zich.
Hij lijkt zo verdomd schoolmeesterachtig als hij zo glimlacht, dacht ze. Me berispen zonder een woord te zeggen. Ik weet wat hij denkt: dat ik een onnozel zwervertje ben dat haar manieren niet kent.
Ze liet haar woede zakken. Ze was eigenlijk kwaad op zichzelf en niet op hem, besefte ze na een moment. Daarna ging het haar gemakkelijker af om haar kalmte te bewaren.
Ze keek naar zijn drankje.
Er zwom iets in.
Het glas was van doorschijnend kwarts. Het was voor drievijfde gevuld met een stroperige groene vloeistof. Daarin zwom vergeefs heen en weer een klein diertje, met de vorm van een traan, wiens violette huid een zwakke gloed achterliet terwijl het zwom.
‘Hoort dat daarin?’
Burris lachte.
‘Ik heb een Deneb-martini, zoals ze dat noemen. Het is een dwaze naam. Specialiteit van het huis.’
‘En daarin?’
‘Een kikkervisje eigenlijk. Een amfibieachtige levensvorm van een van de werelden van Aldebaran.’
‘En je drinkt hem op?’
‘Ja. Levend.’
‘Levend.’ Lona huiverde. ‘Waarom? Smaakt het dan zo goed?’
‘Het heeft helemaal geen smaak in feite. Het is pure decoratie. De cirkel van de verfijning is weer gesloten, terug naar het barbarisme. Een slok en weg is het.’
‘Maar het leeft! Hoe kan je ’t doodmaken?’
‘Heb je wel eens oesters gegeten, Lona?’
‘Nee. Wat is een oester?’
‘Een weekdier. Eens zeer populair, in de schelp geserveerd. Levend. Je besprenkelt hem met citroensap — citroenzuur, begrijp je — en hij krimpt ineen. Dan eet je hem. Het smaakt naar de zee. Het spijt me, Lona. Zo is ’t nu eenmaal. Oesters weten niet wat er met ze gebeurt. Ze hebben geen hoop, angst en dromen. Dat creatuur hier evenmin.’
‘Maar om het te doden —’
‘We doden om te eten. Een ware voedselmoraal zou ons alleen maar toestaan om synthetisch voedsel te eten.’ Burris glimlachte vriendelijk. ‘Het spijt me. Ik zou ’t niet hebben besteld als ik had geweten dat ’t je zou kwetsen. Zal ik ’t weg laten halen?’
‘Nee, iemand anders zou ’t drinken, denk ik. Het was eigenlijk niet mijn bedoeling om dat allemaal te zeggen. Ik was alleen maar een beetje ondersteboven, Minner. Maar het is jouw drankje. Geniet ervan.’
‘Ik zal ’t terugsturen.’
‘Alsjeblieft.’ Ze raakte de tentakel van zijn linkerhand aan. ‘Weet je waarom ik bezwaar maak? Omdat het is alsof je jezelf tot een god maakt door een levend wezen te verslinden. Ik bedoel, hier sta je, reusachtig groot, en je vernietigt gewoon iets, en het zal nooit weten waarom. De manier —’
Ze stokte.
‘De manier waarop vreemde Dingen een inferieur organisme kunnen oppakken en dat op de operatietafel leggen, zonder zich erom te bekommeren en zich verder iets af te vragen?’ vroeg hij. ‘De manier waarop doktoren een ingewikkeld experiment kunnen verrichten met de ova van een meisje zonder de latere psychologische gevolgen in aanmerking te nemen? God, Lona, we moeten die gedachten van ons afzetten, en er niet steeds weer op terugkomen!’
‘Wat heb je voor mij besteld?’ vroeg ze. ‘Gaudax. Een aperitief van een Centaurusplaneet. Het is zacht en zoet. Je zult het lekker vinden. Proost, Lona.’
‘Proost.’
Hij bewoog zijn glas in een baan om haar zwarte stenen kom in een groet aan haar en haar kom. Toen namen ze een slok. Het aperitief prikkelde haar tong; het was vaag olieachtig, maar delicaat, opwekkend. Ze voelde een rilling van genot. Na drie snelle teugen zette ze de kom neer.
Het kleine zwemmende wezentje was verdwenen uit Burris’ glas.
‘Zou je de mijne eens willen proeven?’ vroeg hij.
‘Alsjeblieft, nee.’
Hij knikte. ‘Laten we dan maar het eten bestellen. Wil je me mijn gedachteloosheid vergeven?’ Twee donkergroene kubussen, met vlakken van tien centimeter elk, stonden naast elkaar op het midden van de tafel. Lona had gedacht dat ze uitsluitend ter versiering dienden, maar toen Burris er een naar haar toeschoof, realiseerde ze zich dat het menu’s waren. Toen ze het beetpakte flitste er een warm licht door het binnenste van de kubus en er verschenen verlichte letters, schijnbaar twee centimeter onder het gladde oppervlak. Ze draaide de kubus keer op keer om. Soepen, vleesgerechten, hors d’oeuvres, zoete nagerechten…
Ze herkende niets van het menu.
‘Ik hoor hier eigenlijk niet, Minner. Ik eet altijd hele gewone dingen. Dit is allemaal zo vreemd dat ik niet weet waar ik beginnen moet.’
‘Zal ik ’t voor je bestellen?’
‘Doe dat maar. Maar dingen die ik eigenlijk wil hebben, staan er niet op. Zoals een gehakte proteïnebiefstuk en een glas melk.’
‘Vergeet die gehakte proteïnebiefstuk. Zoek een paar meer zeldzame delicatessen uit.’
‘Maar het is zo onecht. Ik die pretendeer een lekkerbek te zijn.’
‘Pretendeer niets. Eet en geniet. Gehakte proteïnebiefstuk is niet het enige voedsel in het universum.’
Zijn kalmte deed haar goed, omhulde haar, maar sloeg niet helemaal op haar over. Hij bestelde voor allebei. Lona was trots op zijn vaardigheid. Het was maar een klein ding om wijs te kunnen worden uit een menu in een dergelijke gelegenheid; maar toch, hij wist zoveel. Hij was imponerend. Ze merkte opeens dat ze zat te denken: had ik hem maar ontmoet voordat ze … en brak die gedachte af. Geen enkele samenloop van omstandigheden was denkbaar die haar in contact gebracht zou hebben met de nog niet verminkte Minner Burris. Hij zou haar niet opgemerkt hebben; hij moest zich toen bezig gehouden hebben met vrouwen als die deinende oude Elise. Die hem nog steeds achterna liep, maar hem nu niet kon krijgen. Hij is van mij, dacht Lona fel. Hij is van mij! Ze schoven me een gebroken stukje mens toe, en ik help hem weer te maken, en niemand zal hem van me afnemen.
‘Wil je soep en hors d’oeuvres?’ vroeg hij. ‘Ik heb niet zo’n honger.’
‘Proef er in elk geval iets van.’
‘Ik zou ’t alleen maar laten staan.’
‘Niemand hier geeft iets om eten dat niet opgegeten wordt. En we betalen er tenslotte niet voor. Probeer ‘t.’
Er begonnen schalen te verschijnen. Elk daarvan was een specialiteit van een verre wereld, ofwel echt geïmporteerd, ofwel nagemaakt met de allergrootste omzichtigheid. Spoedig stond de tafel vol exotische gerechten. Schotels, schalen, kommen met rariteiten, geserveerd in verbijsterende overvloed. Burris noemde haar de namen en probeerde uit te leggen wat het allemaal was, maar ze was nu zo goed als verdoofd en nauwelijks in staat om ook maar iets te begrijpen. Wat was dit schilferende witte vlees? Die gouden bessen, gedoopt in honing? Die soep, bleek en besprenkeld met kruidige kaas? De aarde alleen al produceerde al zoveel keukens; om te kiezen uit een melkweg was een zo duizelingwekkende gedachte dat de eetlust haar verging.
Lona knabbelde. Ze raakte steeds meer in de war. Een hapje van dit, een slokje van dat. Ze verwachtte de hele tijd dat de volgende hap nog ’t een of andere levende schepsel bevatte. Lang voordat de hoofdschotel was opgediend, was ze verzadigd. Er waren twee soorten wijn gebracht. Burris mengde ze en ze veranderden van kleur, turquoise en robijnrood smolten samen tot een onverwachte opalen tint. ‘Katalytische respons,’ zei hij. ‘Ze calculeren zowel de esthetica van het oog als van de smaak. Hier.’ Maar ze kon er maar een klein beetje van drinken.
Читать дальше