‘Goed,’ zei ze stuurs. ‘Een zomers wandelingetje.’
‘Een zomers wandelingetje, ja.’
Ze deden lichtgewicht thermische kleding aan, kappen, wanten. De temperatuur was zacht voor dit deel van de wereld: enkele graden boven het vriespunt. Antarctica maakte een hittegolf mee. Chalks poolhotel lag slechts enkele tientallen kilometers van de Pool zelf af, ten ‘noorden’ van de Pool, zoals alle dingen trouwens, en lag in de richting van de Ross ijsplaat. Het was een geodetische koepel, stevig genoeg om de verstijvende poolnachten te kunnen doorstaan, luchtig genoeg om de sfeer van Antarctica door te laten dringen.
Een dubbele uitgangshal was hun poort naar het rijk van ijs buiten. De koepel werd omgeven door een gordel van bruine, kale aarde van drie meter breed, door de bouwers neergelegd als een isolerende zone, en daarachter begon de witte vlakte. Onmiddellijk nadat Burris en het meisje de koepel verlaten hadden, kwam er een grijnzende, steviggebouwde gids op hen afstevenen.
‘Motorsleeritje, mensen? Brengt je in een kwartiertje naar de Pool! Het kamp van Amundsen, herbouwd. Het Scott Museum. Of de andere kant op naar de gletschers. U zegt het maar en —’
‘Nee.’
‘Ik begrijp ‘t. Uw eerste ochtend hier en u wilt alleen maar een eindje lopen. En als u vindt dat u gereed bent om een langer uitstapje te maken —’
‘Alstublieft,’ zei Burris, ‘mogen we erlangs?’
De gids wierp hem een vreemde blik toe en liet ze langs.
Lona stak haar arm door die van Burris en ze liepen het ijs op. Toen hij omkeek zag Burris een gestalte uit de koepel komen die de gids terzijde nam. Aoudad. Ze voerden een ernstig gesprek.
‘Wat is ’t hier prachtig!’ riep Lona.
‘Op een steriele manier wel, ja. De laatste grens. Bijna onbetreden, op een paar musea na hier en daar.’
‘En hotels.’
‘Dit is ’t enige. Chalk heeft het monopolie.’
De zon stond hoog boven hun hoofd, helder, maar klein. Zo dicht bij de Pool leek een zomerdag nooit te eindigen; twee maanden van ononderbroken zonlicht lagen er nog voor de boeg tot de lange onderdompeling in duisternis begon. Het licht schitterde verblindend op het ijsplateau. Alles was hier vlak, een kilometerdik laken van witheid begroef bergen en valleien. Het ijs voelde stevig aan als je er op liep. In tien minuten hadden ze het hotel ver achter zich gelaten.
‘Welke kant op ligt de Zuidpool?’ vroeg Lona.
‘Die kant op. Recht vooruit. We gaan er nog wel een keer naar toe.’
‘En achter ons?’
‘De Queen Maud Bergen. Ze dalen af naar de Rossplaat. Het is een grote deken van ijs, tweehonderd meter dik en groter dan Californië. De eerste ontdekkingsreizigers sloegen daar hun kamp op. Over een paar dagen brengen we een bezoek aan Klein-Amerika.’
‘Wat is ’t hier vlak. De weerkaatsing van de zon is zo fel.’
Lona boog zich voorover, pakte een handvol sneeuw en gooide het vrolijk de lucht in. ‘Ik zou best een paar pinguins willen zien. Minner, vraag ik teveel? Klets ik?’
‘Moet ik eerlijk zijn of tactvol?’ ‘Kan me niet schelen. Laten we gewoon lopen.’
Ze liepen. Hij vond het gladde oppervlak van het ijs bijzonder aangenaam om op te lopen. Bij elke stap die hij deed gaf het even mee en voegde zich naar de veranderde beengewrichten. Betonnen plaveisels waren niet zo vriendelijk. Burris, die een nacht van spanning en pijn had doorgemaakt, verwelkomde de verandering.
Hij betreurde het dat hij zo tegen Lona had gesnauwd.
Maar hij had zijn geduld verloren. Ze was vreselijk onwetend, maar dat had hij van het begin af aan al geweten. Wat hij niet had geweten was hoe snel haar onwetendheid ophield charmant te zijn en irriterend begon te werken.
Om met pijn en wanhoop wakker te worden en je te moeten blootstellen aan die zeurderige stroom van puberale vragen…
Kijk naar de andere kant, zei hij tot zichzelf. Hij was midden in de nacht wakker geworden. Hij had over Manipool gedroomd en ontwaakte natuurlijk schreeuwend uit zijn slaap. Dat was wel eerder gebeurd, maar nog nooit had er een warm en zacht wezen naast hem gelegen dat hem troostte. Dat had Lona gedaan. Ze was niet boos op hem geweest dat hij haar gewekt had. Ze had hem gestreeld en hem gekalmeerd totdat de nachtmerrie weer uit de werkelijkheid was verdwenen. Hij was haar daar dankbaar voor. Ze was zo teder, zo liefdevol. En zo dom.
‘Heb je Antarctica wel eens vanuit de ruimte gezien?’ vroeg Lona.
‘Vaak.’
‘Hoe ziet het eruit?’
‘Net als op de kaart. Min of meer rond, met een uitstekende duim in de richting van Zuid-Amerika. En wit. Overal wit. Je zult het zien als we naar Titan gaan.’
Ze nestelde zich in de holte van zijn arm onder ’t lopen. De holte van zijn arm was verstelbaar: hij rekte hem en maakte een comfortabele haven voor haar. Dit lichaam had zijn voordelen.
Lona zei: ‘Op een dag wil ik hier weer terugkomen en alles zien — de Pool, de musea van de ontdekkingsreizigers, de gletschers. Maar dan wil ik met mijn kinderen komen.’
Er gleed een ijspegel door zijn keel.
‘Wat voor kinderen, Lona?’
‘Twee. Een jongen en een meisje. Over een jaar of acht, dan is ’t het goede moment om ze mee te nemen.’ Zijn oogleden gingen ongecontroleerd heen en weer binnen zijn thermische hoofdbedekking. Ze knarsten als de muren van de Symplegaden. Met zachte, tot het uiterste beheerste stem zei hij: ‘Je moet weten, Lona, dat ik je geen kinderen kan geven. De doktoren hebben geconstateerd dat dat uitgesloten is. De interne organen zijn gewoon —’
‘Ja, dat weet ik. Ik bedoelde ook niet de kinderen van ons tweeën, Minner.’
Hij voelde een ijzige greep om zijn ingewanden.
Ze ging vriendelijk verder: ‘Ik bedoel de baby’s die ik nu heb. Die uit mijn lichaam zijn gehaald. Ik krijg er twee terug — heb ik je dat niet verteld?’
Burris voelde zich merkwaardig opgelucht bij de wetenschap dat ze niet van plan was om hem te verlaten voor een biologisch volledige man. Tegelijkertijd was hij verrast door de diepte van zijn opluchting. Hoe vanzelfsprekend had hij aangenomen dat de kinderen die ze noemde kinderen zouden zijn die ze van hem hoopte te krijgen! Hoe verbijsterend was de gedachte dat ze kinderen van iemand anders kon hebben!
Maar ze had al een heel legioen kinderen. Hij was dat bijna vergeten.
Hij zei: ‘Nee, dat heb je me niet verteld. Je bedoelt dat ze goedvinden dat je een paar kinderen krijgt die je zelf mag grootbrengen?’
‘Min of meer.’
‘Wat houdt dat in?’
‘Ik geloof niet dat ’t al goedgevonden is. Maar Chalk zei dat hij ’t voor elkaar zou brengen. Hij heeft ’t me beloofd, hij heeft me zijn woord gegeven. En ik geloof dat hij belangrijk genoeg is om het te kunnen. Er zijn zoveel baby’s — ze kunnen er best een paar missen voor de echte moeder als die ze wil hebben. En dat wil ik. Dat wil ik. Chalk zei dat hij de kinderen voor me zou krijgen als ik — als ik —’
Ze zweeg. Haar mond stond een moment open en sloot zich toen krampachtig.
‘Als je wat, Lona?’
‘Niets.’
‘Je wou iets gaan zeggen.’
‘Ik zei dat hij de kinderen voor me zou krijgen als ik ze wilde.’
Hij keek haar aan. ‘Dat is niet wat je wilde zeggen. Wat heb je Chalk beloofd als tegenprestatie?’ Het spectrum van schuld verspreidde zich over haar gezicht.
‘Wat verberg je voor me?’ vroeg hij dringend. Ze schudde zwijgend het hoofd. Hij pakte haar hand beet, en zij trok hem terug. Hij stond over haar heen gebogen, haar nietig makend, en zoals altijd wanneer zijn emoties zich lieten gelden in zijn nieuwe lichaam klopte en trilde het vreemd in zijn binnenste.
‘Wat beloofde je hem?’ vroeg hij.
‘Minner, je ziet er zo vreemd uit. Je hebt allemaal vlekken op je gezicht. Rood en purper op je wangen…’
Читать дальше