‘Wat was ‘t, Lona?’
‘Niets. Niets, ’t Enige wat ik tegen hem heb gezegd… ’t enige wat ik afgesproken heb was…’
‘Wat?’
‘Dat ik aardig voor je zou zijn.’ Met een dun stemmetje. ‘Ik beloofde hem dat ik je gelukkig zou maken. En hij zou een paar baby’s geven. Was dat verkeerd, Minner?’
Hij voelde lucht ontsnappen uit het gigantische lek in zijn borst. Chalk had dit geregeld? Chalk had haar gechanteerd om lief voor hem te zijn? Chalk? Chalk?
‘Minner, wat is er?’
Stormen bliezen door hem heen. De planeet kantelde om zijn as, kwam omhoog, verpletterde hem, de continenten braken los en gleden in een massieve waterval bovenop hem.
‘Kijk me niet zo aan,’ bedelde ze.
‘Als Chalk je die baby’s niet beloofd had, zou je me dan ooit hebben benaderd?’ vroeg hij gespannen. ‘Zou je me ooit hebben aangeraakt, Lona?’
Haar ogen waren nu gevuld met tranen. ‘Ik zag je in de tuin van het ziekenhuis. Ik voelde zo’n medelijden met je. Ik wist niet eens wie je was. Ik dacht dat je verbrand was of zoiets. Toen ontmoette ik je. Ik hou van je, Minner. Chalk kan me niet van je laten houden. Hij zou me alleen maar goed voor je kunnen laten zijn. Maar dat is geen liefde.’
Hij voelde zich dwaas, idioot, houterig, een hoop levenloze modder. Hij stond haar aan te gapen. Ze zag er uit alsof ze voor de gek gehouden was. Toen bukte ze zich, raapte een handvol sneeuw op, maakte er een bal van en gooide die lachend in zijn gezicht. ‘Hou ermee op om zo gek te kijken,’ zei ze. ‘Pak me, Minner. Pak me!’
Ze maakte zich uit de voeten. In een oogwenk was ze onverwacht ver weg van hem. Ze bleef staan, een donkere vlek op het wit, en pakte nog meer sneeuw. Hij keek hoe ze een sneeuwbal maakte. Ze gooide hem onhandig, vanuit haar elleboog zoals een meisje doet, maar desondanks was ’t een goede worp en de sneeuwbal kwam een tiental meters van zijn voeten op de grond neer.
Hij verbrak de verlamming waarin haar gedachteloos uitgesproken woorden hem hadden doen belanden. ‘Je kan me niet pakken!’ riep Lona schel en hij begon te rennen, voor de eerste keer te rennen sinds hij Manipool verlaten had, met lange glijdende passen over het sneeuwtapijt. Lona rende ook, met zwaaiende armen, met haar ellebogen de ijle vrieslucht doorklievend. Burris voelde de kracht door zijn ledematen vloeien. Zijn benen, die hem zo onmogelijk hadden geleken met hun veelvoudige gewrichten, bewogen zich nu in perfecte coördinatie en deden hem soepel en snel vooruitschieten. Zijn hart klopte nauwelijks. In een opwelling schoof hij zijn hoofdbedekking naar achteren en liet de lucht van bijna nul graden langs zijn wangen stromen.
Het kostte hem slechts een paar minuten hardlopen om haar te pakken. Lona, hijgend van ’t lachen en buiten adem, draaide zich om toen hij dichtbij was en wierp zich in zijn armen. Door zijn vaart kon hij niet dadelijk stoppen en vijf passen verder vielen ze neer. Ze rolden over elkaar heen, gehandschoende handen sloegen in de sneeuw, en hij schoof haar hoofdbedekking ook weg en schraapte een handvol ijs los en gooide het in haar gezicht. Het ijswater drupte naar omlaag, langs haar keel, in haar schoot, onder haar kleren, langs haar borsten, haar buik. Ze gilde van wild plezier en verontwaardiging.
‘Minner! Nee, Minner! Nee!’
Hij gooide nog meer sneeuw naar haar. En zij naar hem nu. Schuddend van het lachen wrong ze het onder zijn kraag. Het was zo koud dat het scheen te branden. Samen spartelden ze in de sneeuw. Toen lag ze in zijn armen, en hij hield haar stevig vast, nagelde haar op de vloer van het levenloze continent. Het duurde een hele tijd voordat ze opstonden.
Tweeëntwintig
Van nu af aan gehate melancholie
Die nacht werd hij weer schreeuwend wakker.
Lona had het verwacht. Het grootste deel van de nacht had ze zelf wakker gelegen, naast hem in ’t donker, wachtend tot de onontkoombare demonen bezit van hem namen. Hij had die avond veel zitten piekeren.
De dag was heel plezierig verlopen — op dat nare moment na in het begin. Lona wilde dat ze de bekentenis die ze had gedaan kon terugnemen: dat het eigenlijk Chalk was geweest die haar had aangezet om hem te benaderen. Ze had tenminste het meest schandelijke gedeelte achtergehouden: dat Nikolaides haar de gedachte aan de hand had gedaan om de cactus cadeau te geven, dat Nikolaides haar zelfs het briefje had gedicteerd. Ze wist nu welk effect deze kennis op Burris zou hebben. Maar ’t was dom geweest om zelfs Chalks belofte te vertellen dat hij haar een paar baby’s zou teruggeven. Lona zag dat nu zeer helder in. Maar het was te laat om die woorden terug te nemen.
Hij had zich van dat gespannen moment hersteld en ze hadden plezier gehad daarna. Een sneeuwbalgevecht, een tocht door de ongebaande ijswildernis. Lona was angstig geweest toen ze zich plotseling realiseerde dat het hotel niet meer te zien was. Ze zag overal om zich heen een witte vlakte. Geen bomen die schaduwen wierpen, geen beweging van de zon waarop ze zich zou kunnen oriënteren en geen kompas.
Ze hadden kilometers gelopen door een onveranderlijk landschap. ‘Zullen we teruggaan?’ vroeg ze en hij knikte. ‘Ik ben moe. Ik ga nu liever weer terug.’ Eigenlijk was ze zo moe niet, maar de gedachte dat ze hier kon verdwalen joeg haar angst aan. Ze gingen terug, of Burris zei tenminste dat ze dat deden. De nieuwe richting zag er precies hetzelfde uit als de vorige. Er was ergens een donkere plek van enkele decimeters lang net onder het sneeuwoppervlak. Een dode pinguin, zei Burris tegen haar en ze huiverde, maar toen kwam het hotel op wonderbaarlijke wijze weer in zicht. Als de wereld hier toch plat was, hoe kwam het dan dat het hotel was verdwenen? En Burris legde uit, zoals hij zoveel dingen aan haar had uitgelegd (maar nu op geduldiger toon), dat de wereld hier niet echt vlak was, maar in feite net zo bol als waar ook, zodat ze maar een paar kilometer hoefden te lopen voor de vertrouwde merktekens in het landschap uit het gezicht verdwenen. Net zoals met het hotel was gebeurd.
Maar het hotel was teruggekomen, en ze hadden een enorme eetlust, en ze hadden een stevige lunch gehad, weggespoeld met de ene fles bier na de andere. Hier dronk niemand groene cocktails met levende dingen erin. Bier, kaas, vlees — dat was het voedsel voor dit land van eeuwige winter.
Die middag hadden ze een tocht gemaakt met de motorslee. Eerst gingen ze naar de Zuidpool.
‘Het ziet er hier precies hetzelfde uit als overal,’ zei Lona.
‘Wat had je dan verwacht?’ vroeg hij. ‘Een gestreepte paal in de sneeuw?’
Hij was dus weer sarcastisch. Ze zag de spijt in zijn ogen na zijn bijtende commentaar en ze zei bij zichzelf dat hij ’t niet zo had bedoeld. Het was normaal voor hem, dat was alles. Misschien had hij zelf zo’n pijn — echte pijn — dat hij voortdurend zo van zich af moest slaan.
Maar in feite verschilde de Pool wel van de omliggende leegheid van het poolplateau. Er stonden hier gebouwen. Een cirkelvormig gebied rondom de bodem van de wereld met een diameter van zo’n twintig meter was heilig, onbetreden. Daar dichtbij stond de herstelde of nagemaakte tent van de Noor Roald Amundsen, die twee eeuwen geleden per hondenslee naar deze plaats was gekomen. Een gestreepte vlag wapperde boven de donkere tent. Ze keken naar binnen: niets.
Vlakbij stond een klein uit balken opgetrokken gebouwtje.
‘Waarom balken?’ vroeg Lona. ‘Er zijn toch geen bomen op Antarctica?’ Ditmaal had ze een slimme vraag gesteld.
Burris lachte.
Het gebouw was gewijd aan de nagedachtenis van Robert Falcon Scott, die Amundsen naar de Pool gevolgd was en die in tegenstelling tot Amundsen op de terugweg was gestorven. Erin lagen dagboeken, slaapzakken, de spullen van een ontdekkingsreiziger. Lona las het plakkaat. Scott en zijn mannen waren niet hier gestorven, maar kilometers verder, overvallen door vermoeidheid en winterstormen toen ze zich een weg baanden naar de basis. Dit alles stond er louter voor de show. De onechtheid daarvan zat Lona dwars en ze dacht dat ’t Burris ook dwars zat.
Читать дальше