Het was hetzelfde als de twee andere advertenties, behalve dat er in de laatste zin iets was onderstreept: Persoonlijk aanmelden —
Ik smeet geld weg aan een taxi naar de rue Dante. Als ik me haastte was er nog tijd genoeg om deze warboel te ontwarren en toch de trein naar Toulon nog te halen. No. 17 was een flat zonder lift; ik liep naar boven en toen ik appartement D naderde ontmoette ik een jongeman die er uit kwam. Hij was een meter tachtig, knap van gezicht en postuur en zag er uit alsof hij best hermafrodiet kon zijn.
Op de deur stond: Dr. BALSAMO — BEZOEK VOLGENS AFSPRAAK, in het Frans en het Engels. De naam kwam me bekend en lichtelijk vals voor, maar ik bleef niet staan om het uit te puzzelen: ik ging naar binnen.
In het kantoor was een rommel geschapen op een manier die alleen bekend is aan oude Franse advocaten en expediteurs. Achter het bureau zat een dwergachtige vent met een vrolijke glimlach, harde ogen, het roodste gezicht en schedel die ik ooit had gezien en een franje van slordig wit haar. Hij keek me aan en giechelde: ‘Welkom! Dus U bent een held?’
Plotseling trok hij een revolver tevoorschijn die half zo lang was als hijzelf en zeker zo zwaar en richtte die op me. Je zou een Volkswagen de loop in hebben kunnen rijden.
‘Ik ben geen held,’ zei ik onbeschoft. ‘Ik ben een lafaard. Ik kwam hier alleen maar om te kijken wat er achter steekt.’ Ik maakte een zijwaartse beweging terwijl ik dat afschuwelijke stuk geschut de andere kant op zwaaide, sloeg hem op zijn pols en nam het hem af. Toen gaf ik het hem weer terug. ‘Daar moet je niet mee spelen, anders zal ik het in je strot douwen. Ik heb haast. Bent U Dr. Balsamo? Hebt U die advertentie geplaatst?’
‘Kom, kom,’ zei hij, helemaal niet geërgerd. ‘De onstuimige jeugd. Nee, Dr. Balsamo is daarbinnen.’ Hij wees met zijn wenkbrauwen naar twee deuren in de linkermuur en drukte toen op een bel — het enige ding in de kamer dat dateerde van na Napoleon. ‘Ga maar naar binnen. Ze verwacht je.’
‘Zij? Welke deur?’
‘Aha, de Dame of de Tijger? Komt het er op aan? Op de lange duur? Een held moet het weten. Een lafaard zou de verkeerde kiezen, omdat hij zou denken dat ik lieg. Allez-y! Vite, vite! Schnell! Schiet een beetje op, vriend.’
Ik snoof en rukte de rechterdeur open.
De dokter stond met haar rug naar me toe bij een toestel tegen de tegenovergestelde muur en ze droeg een van die witte jassen met een boord die doktoren plegen te dragen. Links van me stond een onderzoektafel, rechts een modern-Zweedse rustbank; er waren kasten van roestvrij staal en glas en enkele ingelijste diploma’s; de hele kamer was zo modern als het kantoor niet was.
Toen ik de deur sloot keerde ze zich om, keek me aan en zei kalm: ‘Ik ben erg blij dat je gekomen bent.’ Toen glimlachte ze en zei zachtjes: ‘Je bent mooi,’ en liet zich in mijn armen vallen.
Ongeveer een minuut en veertig seconden en vele eeuwen later verwijderde ‘Dr. Balsamo-Helena van Troje’ haar mond een paar centimeter van de mijne en zei: ‘Laat me alsjeblieft los, kleed je uit en ga op de onderzoektafel liggen.’
Ik voelde me alsof ik negen uur geslapen had, een krachtige douche genomen had en drie borrels ijskoude akwavit op een nuchtere maag had gedronken. Ik wilde alles doen wat ze wilde. Maar de situatie vroeg eenvoudig om een geestig antwoord.
‘Hè?’ zei ik.
‘Alsjeblieft. Jij bent het, maar ik moet je toch onderzoeken.’
‘Nou... goed dan,’ gaf ik toe. ‘Jij bent de dokter,’ voegde ik er aan toe en begon mijn overhemd los te knopen. ‘Je bént toch een dokter? Medisch dokter bedoel ik.’
‘Ja. Onder andere.’
Ik schopte mijn schoenen uit. ‘Maar waarom wil je mij onderzoeken?’
‘Misschien op hersentekens. O, die zal ik niet vinden, dat weet ik wel. Maar ik moet ook naar andere dingen zoeken. Voor je eigen bestwil.’
Die tafel voelde koud aan tegen mijn huid. Waarom bekleden ze die dingen niet? ‘Is je naam Balsamo?’ ‘Eén van mijn namen,’ zei ze verstrooid terwijl ze me met voorzichtige vingers hier en daar aanraakte. ‘Het is een familienaam.’
‘Wacht eens even. Graaf Cagliostro! ’
‘Een van mijn ooms. Ja, hij heeft die naam gebruikt. Oom Jozef is een heel ondeugende man en nogal leugenachtig.’ Ze raakte een klein oud litteken aan. ‘Je blindedarm is verwijderd.’
‘Ja.’
‘Goed. Laat me je tanden zien.’
Ik sperde mijn mond wijd open. Mijn gezicht mag dan niet veel voorstellen, met mijn tanden kan ik reclame maken voor Prodent. Even later knikte ze. ‘Fluoridesporen. Goed. Nu moet ik je bloed hebben.’
Ze had er me voor in mijn hals mogen bijten en dan zou ik het nog niet erg gevonden hebben. Het zou me ook niet verwonderd hebben. Maar ze deed het op de gewone manier, ze nam tien cc. uit mijn linkerarm. Ze pakte het buisje en zette het in het toestel tegen de muur. Dat snorde en gonsde en ze kwam weer naar me toe. ‘Luister eens, Prinses,’ zei ik.
‘Ik ben geen prinses.’
‘Nou... ik weet je voornaam niet en je hebt laten doorschemeren dat je achternaam niet echt ‘Balsamo’ is — en ik wil je geen ‘Dok’ noemen.’ Ik wilde haar om de dooie dood geen ‘Dok’ noemen — niet het mooiste meisje dat ik ooit gezien had of kon hopen nog ooit te zien... niet na een kus die de herinnering aan iedere andere kus die ik ooit ontvangen had had uitgewist. Nee.
Ze overdacht het. ‘Ik heb vele namen. Hoe zou je me willen noemen?’
‘Is één ervan Helena?’
Ze glimlachte als een zonnestraal en ik zag dat ze kuiltjes had. Ze zag eruit of ze zestien was en haar eerste baljurk droeg.
‘Je bent heel galant. Nee, zij is zelfs geen familie. Dat is heel, heel lang geleden.’ Haar gezicht nam een nadenkende uitdrukking aan. ‘Zou je me ‘Etarre’ willen noemen?’
‘Is dat één van je namen?’
‘Het lijkt erg op éen ervan, als je de verschillende spelling en klemtoon in aanmerking neemt. Of ‘Esther’ zou er net zo dichtbij komen. Of ‘Aster’. Of zelfs ‘Estrellita’.’
‘Aster,’ herhaalde ik. ‘Ster. Geluksster!’
‘Ik hoop dat ik je geluksster zal zijn,’ zei ze ernstig. ‘Zoals je wilt. Maar hoe zal ik jou noemen?’
Daar dacht ik over na. Ik was bepaald niet van plan met ‘Flash’ op de proppen te komen — ik ben geen stripverhaal. De Leger-bijnaam die ik het langst gedragen had was volkomen ongeschikt om aan een dame te vertellen. Maar die prefereerde ik nog boven mijn eigen voornaam. Mijn vader was trots op een paar van zijn voorouders geweest — maar is dat een excuus om je zoon met ‘Evelyn Cyril’ op te zadelen? Het had me gedwongen te leren vechten voor ik had leren lezen.
De naam die ze me in het hospitaal gegeven hadden, kon er mee door. Ik haalde mijn schouders op. ‘O, maar...’
‘Omar,’ herhaalde ze, de A een beetje rekkend en met de klemtoon op beide lettergrepen. ‘Een edele naam. De naam van een held. Omar.’ Ze streelde hem met haar stem.
‘Nee, nee! Geen Omar —’
‘Omar is je naam,’ zei ze beslist. ‘Omar en Aster.’ Ze raakte mijn litteken aan. ‘Mishaagt het heldenteken je? Zal ik het verwijderen?’
‘Hè? O, nee, ik ben er nu aan gewend. Daardoor herken ik mezelf als ik in de spiegel kijk.’
‘Goed. Ik houd ervan, je had het toen ik je voor het eerst zag. Maar als je van mening verandert, laat me het dan weten.’
Het spul tegen de muur zei hoesj, klink! Ze keerde zich om en nam er een lange strook uit en floot zachtjes terwijl ze die bestudeerde.
‘Dit duurt maar even,’ zei ze vrolijk en rolde het toestel naar de tafel. ‘Blijf stil liggen terwijl de slangen met je verbonden zijn, heel stil en haal licht adem.’ Ze verbond een zestal slangen met me; ze bleven vastzitten waar ze ze plaatste. Ze trok iets over haar hoofd wat ik dacht dat een luxe stethoscoop was, maar toen ze hem aan had bedekte hij haar ogen.
Читать дальше