Deze avond echter, terwijl hij uit de Rhönevallei te voorschijn gleed in de richting van de bergen rondom Lyon, waren niet al zijn bange vermoedens helemaal gesust. Hij landde in Saint-Antoine-des-Vignes op een paar kilometer van de herberg en besloot tot een laatste maaltijd op vrije voeten. De augustuszon was achter de Col de la Luère gezakt en het volstrekt ouderwetse dorpje dommelde. Het café was klein maar gelukkig ook schemerig en koel en, godzijdank, niet zo quasi gezellig ingericht. Terwijl hij naar binnen liep, zag hij tot zijn geruststelling dat het driedimensionale beeldscherm niet aanstond hoewel de muziek wel speelde, maar dat was niet meer dan een onderdrukt, zangerig geluid op de achtergrond. En de geuren van het eten waren ronduit onweerstaanbaar.
Een jong stelletje en twee oudere mannen, dorpsbewoners aan hun kleding te zien, zaten bij de tafeltjes aan het raam grote borden worst en salade naar binnen te werken. Op een kruk aan de bar zat een grote, blonde man in een glanzend pak van nachtzwart nebulin. Hij was bezig een hele kip te eten, overgoten met een rozige saus en spoelde dat weg met bier uit een tweeliterkan. Na een moment aarzelen, liep Richard die richting uit en nam een andere kruk.
De grote kerel knikte, gromde en bleef het eten in zijn muil stoppen. Uit de keuken kwam de eigenaar aangelopen, een man met een welgemoed gezicht en een ronde buik en een heldhaftig uitziende Romeinse neus. Hij heette Voorhees hartelijk welkom en had blijkbaar direct door dat hij van een andere wereld afkomstig was.
‘Ik heb horen vertellen,’ zei Richard behoedzaam, ‘dat het voedsel in dit deel van de Aarde nooit iets synthetisch bevat.’ De gastheer zei: ‘We zouden nog liever onze maag laten wegsnijden dan haar bederven met kunstalgen of biocake en de hele rest van die troep. Vraag maar aan iedere gozer in het dorp.’ ‘Zeg dat nog eens, Louis!’ kakelde een van de ouderen bij het raam, terwijl hij een druipende worst aan zijn vork omhoogstak.
De eigenaar leunde over de bar naar voren met zijn handpalmen op het blad. ‘Dat Frankrijk van ons heeft heel wat veranderingen ondergaan. Onze mensen zijn over alle sterren uitgezwermd. Onze Franse taal is dood. Het land is een ondergrondse industriële bijenkorf geworden en een soort van historisch Disneyland op de koop toe. Maar drie dingen zijn onveranderlijk en onsterfelijk gebleven, onze kaas, onze wijn en onze keuken! Maar goed, ik kan wel zien dat u van ver komt.’
Een ooglid kwam naar beneden in een zwaarwichtige knipoog. ‘Net als onze andere gast hier hebt u misschien nog een eindje te gaan. Dus als u op zoek bent naar een werkelijk kosmische maaltijd ... nou ja, we zijn maar een klein bedrijfje, maar onze keuken en de wijnkelder zijn goed voor vier sterren, als u betalen kunt, tenminste.’
Richard zuchtte. ‘Ik vertrouw u. Doe me zoiets maar aan.’
‘Dan beginnen we met een apéritif, die is gekoeld en staat klaar!
Dom Pérignon 2100. Geniet u daar eerst van, dan zet ik er wat kleinigheden bij om de eetlust op te wekken!’
‘Is dat champagne?’ vroeg de kippe-eter, ‘in dat kleine pokkeflesje?’
Richard knikte. ‘En waar ik vandaan kom, ben je voor een glas ervan gauw drie centibux kwijt.’
‘Shit, nietwaar toch? Van hoe ver kom jij dan wel, man?’ ‘Assawompset. Het oude Assawompset-gat uit het universum, zo noemen wij het. Maar dat kan jij maar beter niet proberen.’ Stein stiklachte zowat in zijn kip. ‘Ik vecht nooit met een vent voor ik aan hem ben voorgesteld.’
De gastheer bracht een servet met twee kleine pasteitjes en een klein zilveren blaadje vol witte, stomende brokjes. ‘Brioche de foie gras, croustade de riz veau a la financière en quenelles de brochet au beurre d’évrevisses. Eet en geniet!’ Hij verdween als de wind.
‘Financier, hè,’ mompelde Richard, ‘dat is een mooi grafschrift.’ Hij begon van de pasteitjes te eten. De ene smaakte romig luchtig naar verrukkelijk op smaak gebrachte lever. De ander leek op een taartje, gevuld met stukjes vlees, paddestoelen en onherkenbare andere brokjes in maderasaus. Het blaadje met de witte saus bestond uit verrukkelijke visknoedels. ‘Dit smaakt heerlijk, maar wat eet ik eigenlijk?’ vroeg hij de gastheer die net te voorschijn was gekomen om de kredietkaarten van de dorpsklanten in te nemen.
‘De brioche is gevuld met ganzeleverpâté. In het taartje zitten truffels en kalfsvlees en een mengsel van kleine stukjes kip, hanekam en niertjes in wijnsaus. De visnoedels worden geserveerd in boter met rivierkreeft.’ ‘Goeie God,’ zei Richard.
‘Ik heb een opvallend goede wijn voor bij het hoofdgerecht. Maar eerst, gegrild lamsvlees met fijngesneden groente en daarbij een prachtige jonge Fumé van het Château du Nozet.’ Richard at en dronk, dronk en at. Ten slotte kwam de gastheer terug met een kleine kip, gelijk aan die welke Stein nog maar net had verorberd. ‘De specialiteit van het huis, poularde Diva! De grootste van onze jonge hennen, gevuld met rijst, truffels en lever, overgoten met een paprikasaus. En erbij, een magnifieke Château Grillet.’
‘U houdt me voor de gek,’ riep Richard uit. ‘Zo’n wijn verlaat de Aarde nooit,’ verzekerde zijn gastheer plechtig, ‘zelfs Frankrijk maar zelden. Krijg dat maar eens achter je huig, meneertje en je maag zal denken dat je gestorven bent en naar het paradijs gegaan.’ Opnieuw verdween hij met grote snelheid.
Stein staarde stomverbaasd. ‘Mijn kip smaakte prima,’ probeerde hij, ‘maar ik heb er Tuborg bij gedronken.’ ‘Ieder het zijne,’ zei Richard. Na een lange pauze waarin hij druk bezig was, veegde hij de rozige saus uit zijn snor en zei: ‘Denk jij dat iemand aan de andere kant van die poort inmiddels heeft uitgevonden hoe hij een goeie borrel moet stoken?’ Steins ogen werden kleiner. ‘Hoe weet jij waar ik heenga?’ ‘Omdat je absoluut niet lijkt op de een of andere gozer die van de kolonies komt om de Ouwe Aarde nog eens op te zoeken. Heb je er ooit aan gedacht waar je eerste emmertje zuip in het Plioceen vandaan moet komen?’ ‘Christus!’ riep Stein uit.
‘Neem mij nou, ik ben een wijngek. Voor zover dat kon tenminste, terwijl ik mijn achterste door de hele Melkweg heb gesleept. Ik was een ruimteman. Ik heb het verknald en ze pakten me. Daar wil ik niet over praten. Noem me maar Richard. Geen Rick. Ook geen Dick. Richard.’
‘Ik ben Steinie.’ De grote boorder dacht een minuut na. ‘Uit wat ze mij over dat Ballingschap hebben gestuurd, dacht ik dat ze je in slaap iedere simpele techniek lieten aanleren die in die andere wereld bruikbaar zou kunnen zijn. Ik herinner me niet of het op de lijst stond, maar ik denk dat de brouwerij me wel goed zou af gaan. En alcohol, dat kan je van bijna alles maken. Het enige lastige is de condensatiekolom en dat zou makkelijk te maken zijn van een stukje met koper bedekte decamole dat je in een holle kies zou kunnen verstoppen als ze er geen trek in hadden je daarmee op weg te laten gaan. Maar jij met je wijn, jij kon wel eens in de problemen komen. Gebruiken ze daar geen speciale druiven en zo voor?’
‘Reken maar dat ze dat verdomme doen,’ zei Richard broedend, scheel kijkend door een glas Grillet. ‘Ik denk trouwens dat de samenstelling van de aarde toen ook knap anders was. Maar misschien dat het toch lukt om iets te fabriceren dat er zo halfweg mee door kan. Laat me eens zien. Druivestekken hebben we nodig en gist natuurlijk, anders krijg je een soort van kattepis aan het eind. En we zouden iets moeten hebben om flessen van te maken. Wat gebruikten ze eigenlijk voor we glas en plastic hadden?’
‘Kleine bruine kroezen?’ stelde Stein voor. ‘Precies. Aardewerk. En ik geloof waarachtig dat je zelfs flessen uit leer zou kunnen maken als je het verhitte en zacht liet worden in water . .. Christus! Hoor je dat? De ruimtevaarder is bezig een nieuwe carrière uit te denken als illegale drankstoker.’ ‘Zou je geen recept van aquaviet te pakken kunnen krijgen?’ Stein keek bedroefd. ‘Je hebt er alleen pure alcohol voor nodig en wat karwijzaad. Ik koop alles wat je maken kunt.’ Hij dacht een tweede keer na. ‘Kopen? Ik bedoel, ruilen, wat dan ook... Godver .. . Denk jij dat daar iets wat op beschaving lijkt op ons zit te wachten?’
Читать дальше