Vledder trok zijn neus op.
‘Ik mag hem niet. Ik vind hem een louche vent. De commissaris moet zich betere vrienden zoeken.’
De Cock lachte hartelijk.
‘Het lijkt mij een goed idee dat jij hem dat eens persoonlijk vertelt. Ik word het beu om steeds weer van zijn kamer te worden gestuurd.’
Harold Buis wendde zich tot De Cock.
‘Ik heb even zitten denken… toen jij na de moord op mijn evenbeeld in Baarn hoorde dat De Beau een verhouding had met die Thérèse de la Fontaine, wist jij natuurlijk direct wie de dader was.’
De grijze speurder knikte.
‘Het was eens te meer een aanwijzing in welke richting ik de moordenaar moest zoeken. Noch Matthias van Heusden, noch Manfred van Nettelhorst wist waar Thérèse de la Fontaine was ondergebracht. ‘Toen Henri de Groeve in Baarn een bezoek aan de villa zou brengen, zag hij door het raam tot zijn schrik een man in de omgeving van Thérèse. Hij trok zich onmiddellijk terug, maar zijn besluit stond vast. Die man moest dood.’
‘Een vreemde vogel.’
De Cock staarde even voor zich uit.
‘Als ik eerder van die verhouding tussen Thérèse en De Beau had geweten, dan had ik die moord mogelijk kunnen voorkomen. Ik had dan De Beau in vertrouwen genomen, hem verteld aan welke gevaren hij bloot stond en hem daarna als lokaas en schietschijf voor Henri de Groeve gebruikt.’
Harold Buis keek hem wat beteuterd aan.
‘Dan had ik niet in dit boek gestaan.’
De Cock knipoogde.
‘En zo is het.’
Het gesprek werd algemener. De affaire van de dode minnaars schoof wat naar de achtergrond. De Cock kwam uit zijn fauteuil omhoog en schonk nog eens in. Zo nu en dan klonk weer een vrolijke lach.
Vledder kwam naast hem staan.
‘We moeten op de Keizersgracht die koffer van Robbert nog onder zijn bed vandaan halen.’
De grijze speurder keek naar hem op. ‘Die… eh, die koffer is er niet meer.’
‘Wat?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Bij de begrafenis van Robbert Achterberg sprak ik nog even met zijn moeder. Een lieve vrouw. Het bleek mij algauw dat ze van het bestaan van de koffer niets wist. Bovendien maakte ik uit ons gesprek op dat moeder Achterberg in goede doen verkeert. Ze beschikt over ruime financiële middelen.’
‘En?’
De oude rechercheur maakte een wat verlegen gebaartje.
‘Toen heb ik die koffer met geld maar heel stilletjes naar de Van Beuningenstraat gebracht.’
‘Naar Antoinette?’
‘Ja.’
Vledder keek hem met secondenlange verbazing aan. Toen gleed een glimlach over zijn jong gezicht. Aanhoudend schudde hij zijn hoofd. ‘Het is onder mannen niet zo gebruikelijk om zoiets te zeggen… maar soms, De Cock, in schaarse momenten… hou ik van je.’
Zie De Cock en een variant op moord
Het politiebureau aan de Warmoesstraat.
Een rechercheur van politie.