Singapore had lang genoeg geduurd, we vlogen door naar Sydney. Daar was het pas echt bloedheet. Je zou haast weer gaan verlangen naar Singapore. We sliepen in een tent waar de gemiddelde leeftijd niet boven de 20 jaar kwam. Die hebben we dus meteen flink opgeschroefd. Backpackers overal. Dit had ik vroeger allemaal al eens meegemaakt. Backpackers liggen de hele dag op de bank naar de tv te staren. Ze stinken en ze roken en ze zweten. En drinken de hele dag. Ideaal dus eigenlijk. Maar het waren er vooral erg veel, net als de Chinezen in Singapore. Dan maar iets van de stad bekijken. In een parkje vlogen vleermuizen die eigenlijk vossen bleken te zijn. Vossen met vleugels. Tja, ik geef toe, dat klinkt wat ongeloofwaardig. Gelukkig hebben we er foto’s van gemaakt.
De vogels in dat parkje waren echt heel bijzonder. Wat in Nederland voor gewone, stomme, saaie mus doorgaat, is daar minimaal een witte papegaai met gele onderkant. En rode vleugeltjes, hier en daar. Die vliegen dus gewoon door het park, en maken herrie. Je had er ook nog andere, hele lelijke vogels. Daar mocht ik geen foto’s van nemen.
Verder maar een beetje naar dat Opera House gekeken, het enige voordeel daarvan was de airco. Uiteindelijk met een bus richting Melbourne vertrokken. Melbourne was mooi, je had daar een prachtig strand. Al was het er wel weer veel te heet. We sliepen in een buurt die zich het beste laat vergelijken met de Zeedijk in Amsterdam. Daar wil je echt niet te lang vertoeven. We zijn dan ook vrij snel vertrokken naar een iets chiquere buurt. Ook daar weer veel te warm.
Na drie steden hadden we er schoon genoeg van en hebben we een busje geregeld, een Mitsubishi. Ze hadden geen BMW busjes anders hadden we die natuurlijk genomen. Daarmee langs de kust getoerd, The Great Ocean Road. In een of ander park pinguïns gezien. Ze liepen zo uit zee de duinen in. Pinguïns, papegaaien en vliegende vossen gezien. Maar nog steeds geen kangoeroe ontdekt. Wel een zogenaamde opossum, ik had daar nog nooit van gehoord. Laat staan er eentje gezien. Nu wel, het dier leek wel een kruising tussen een eekhoorn en een bever. Vrij tam, ik kon hem aaien. Mits ik hem wortels en sla gaf, dat dan weer wel.
Inmiddels waren we in Adelaide, weer een stad. Weer bloedheet. Toevallig was deze dag een nationale feestdag, ‘Australia Day’. We hebben met ons Mitsubusje, een uur achter een lokale optocht gestaan. Gelukkig had Mitsubusje airco want op het programma stond vooral nog een ritje dwars door de woestijn. Tot we aankwamen in het National Park ‘Flinders Range’. Ik hoorde Marie Antoinette hier al een tijdje over. Ik dacht dat er in dit park wel een hoop vlinders zouden rond dwarrelen. Dat was een mi(e)sverstand. Wijlen heer Flinders bleek de man die vroeger schijnbaar dit gedeelte van Australië “ontdekt” had. Althans, dat vond hij zelf. Waarschijnlijk heeft hij met een Engelse vlag eerst een hoop Aboriginals moeten verjagen, waarna hij de vlag in de grond stak en toen had hij het dan ontdekt. In Flinders Park (wat eigenlijk ongerepte natuur was), hebben we de eerste kangoeroes gezien. Ze zaten gewoon in het bos, beetje te klaverjassen. Wij schrokken meer van hen, dan andersom. Marie Antoinette ging foto’s nemen. De kangoeroes leken gewillig te gaan poseren.
De volgende dag maar een ritje gaan maken door het park. We namen natuurlijk weer een verkeerde afslag en kwamen op een weg terecht die slechts toegankelijk was voor ‘fourwheeldrive’ jeeps en andere toestanden. Kortom, slechts geschikt voor die afschuwelijke auto’s die je in Holland ook steeds vaker ziet. Afgrijselijke monsters, off-road terreinwagens. Als je in Nederland per ongeluk van de weg raakt, kom je op minimaal een fietspad terecht. In elk geval nooit op moeilijk terrein. Hier in Australië begreep ik dan wel dat die dingen bepaalde toegevoegde waarde hadden. Dat wil zeggen, onze weg was niet geasfalteerd. Onze bus had geen fourwheeldrive. En ook niet zo’n goede vering. Bleek achteraf. We konden teruggaan, maar dat is niet des Miez’. Nooit dezelfde weg terug, want dat is voor watjes. Als je dezelfde weg terugrijdt, geef je eigenlijk toe een verkeerde keuze gemaakt te hebben. Dat is niet avontuurlijk. Dat is laf. Dus we reden met 20 km per uur over dit knollenpad. Maar liefst zestig kilometer lang. Het kon nog erger. De stress sloeg toe toen we een riviertje overgestoken waren. Weinig water in de rivier. Het beetje water wat nog in het riviertje was, kon het busje nog net aan.
Daarna werd het vooral een keien weg. Met grote keien. Als je geluk had. Hele grote keien als je minder geluk had. Het busje stuiterde van kuil naar hol. De gehele inrichting van het busje werd verplaatst. Het rammelde aan alle kanten. De bekertjes en bordjes in ons campertje, waren gemaakt van plastic. Zodat het niet kon breken. Nu werd duidelijk waarom dat zo was. Terug kon niet meer. We vreesden voor onze bonus. Er zou onmiddellijk 1000 Dollar afgeschreven worden indien we schade aan de bus zouden krijgen. Dat leek niet onmogelijk, op deze weg. Af en toe stapte Marie Antoinette uit, ze zag het niet meer zitten. Dan schoten er uit alle hoeken en gaten een aantal kangoeroes weg. Uitstappen kon ook makkelijk tijdens het rijden. We hobbelden stapvoets. Wat waren we blij toen we na al die kilometers eindelijk weer asfalt zagen. Wel liep het linker voorwiel een beetje aan, maar ach.
Het busje hield zich geweldig, we zijn door de woestijn naar Coober Pedy gereden. Dit was een dorpje waar een bepaald slag mensen zich verzamelden om opaal te gaan zoeken. Opaal is een soort edelsteen. Op zich geen probleem, ware het niet dat dat spul zich diep onder de grond schijnt te bevinden. Al die gekken daar zoeken hun geluk dus onder de grond. Door de hele woestijn vind je gaten waar iemand heeft lopen zoeken. Soms zijn de gaten een meter diep, andere gaten wel dertig meter!
Bovenlands is het daar gemiddeld zo’n 50 °C. Dus wat doen die idioten? Ze komen hun holen niet meer uit. Begrijpelijk. Het hele stadje bestaat uit gegraven gangen waar dan zo’n zottebol in woont. Complete woningen, kroegen, kerken, bowlingcenters…
Coober Pedy was te heet en te stoffig. Na twee veel te warme dagen verder de woestijn ingereden. Overal lagen lijken langs de weg. Vermoedelijk kangoeroes, maar ik sluit niet uit dat er ook toeristen tussen lagen. We reden uren over wegen zonder tegenliggers. Afstanden van vijhondert kilometer waren niks. Soms kwam je borden tegen, waarop vermeld stond dat het volgende pompstation over hondertachtig kilometer zou komen. Soms miste je die borden, hetgeen voor een hoop consternatie zorgde. Een aparte sfeer in het Mitsubusje.
Sommige dorpjes bestonden ook slechts uit zo’n benzinestation. Misschien nog een schuur erachter, een fiets en een telefooncel. Dat was dan meteen het hele dorp. De benzine was daar een stuk duurder. Veel keuze had je niet. Bij dergelijke stations lagen ook de oorspronkelijke bewoners van deze streek zo’n beetje weg te rotten, De Aboriginals. Ze zijn in mijn ogen het meest vergelijkbaar met zwerfhonden, daklozen, drankverslaafden. Klinkt erg onaardig, dat is niet zo bedoeld. Feit is dat ze gemiddeld met een man of acht een oude auto op de kop getikt hebben en daarin “wonen”. Dieren er ook nog gezellig bij. En oude kleren. En ze zuipen zich een slag in de rondte. En ze wassen zich niet. Je wil niet weten hoe dat kan ruiken. Zure lucht, ik zal geen vergelijking maken. Lelijk bovendien. Het arme volk kan zich niet aanpassen aan “onze” maatstaven. Werken doen ze niet, inkomen hebben ze niet. Hoe ze aan die drank komen, is mij een raadsel. Had ik ze eigenlijk moeten vragen, best interessant. Maar last had je er ook weer niet van. Tenzij ze dicht bij je stonden. Geloof me, fris was het allerminst…
Na dit gehucht doorgereden naar die enorme steen in de woestijn. De Ayers Rock was leuk en rood, moeilijk uit te leggen. De Canyon eromheen ook hoogst interessant. Maar persoonlijk heb ik meer met dieren. Dat wil zeggen, zoogdieren. Want al dat andere gespuis, was ik inmiddels meer dan zat. Spinnetjes nauwelijks gezien. Reptielen onderscheiden zich vooral door op het asfalt te gaan liggen zonnen. Niet erg verstandig, de meeste lagen er heel lang. Maar van al het dierengebeuren, waren de vliegen toch wel het meest irritant. Vliegen daar zijn anders dan bij ons. Ze zien er hetzelfde uit, zwart en lelijk. Maar toch gedragen ze zich anders. Ze vliegen naar je ogen en naar je oren en naar je mond en in je neus. En ze zijn nooit alleen. Net als die Aboriginals. Ze vliegen met tien stuks om je kop heen en landen vooral op plekken waar je ze liever niet hebt. Je bent de hele tijd bezig die krengen te verjagen. Lukt niet. Ze halen hun broers en zussen en gaan met twintig stuks sterk om je heen zoemen. Je voelt je net een koe!
Читать дальше