Hoofdstuk XLIV
Op aarde terug. — In Azië? — De tegenvoeters. — In de Middellandsche zee. — Stromboli. — Een glimlach van Hans
Toen ik de oogen weder opende, voelde ik, dat de stevige hand van den gids mij bij den gordel vasthield. Met de andere hand ondersteunde hij mijn oom. Ik was niet zwaar gekwetst, maar veeleer uitgeput door eene algemeene stijfheid in de leden. Ik lag tegen de glooiing van een berg, twee schreden van een afgrond, waarin de geringste beweging mij nedergestort zou hebben. Hans had mij van den dood gered, terwijl ik van de zijden des kraters afrolde.
“Waar zijn wij?” vroeg mijn oom, die zeer verstoord scheen over zijn terugkeer op de aarde.
De jager haalde de schouders op ten teeken van onwetendheid.
“Op IJsland?” zeide ik.
“Nej,” antwoordde Hans.
“Wat, neen?” riep de professor.
“Hans vergist zich,” zeide ik overeind rijzende.
Na de tallooze verrassingen dezer reis, was er ons nog ééne weggelegd. Ik verwachtte een kegel te zien, bedekt met eeuwige sneeuw, in het midden der barre woestenijen van de noordelijke landen, onder de bleeke stralen van een poolhemel, verre boven de hoogste breedten; en in strijd met al die vermoedens lagen mijn oom, de IJslander en ik op de zijde van een berg, die geblakerd was door de hitte der zon, die ons met hare stralen verschroeide.
Ik wilde mijn oogen niet gelooven; maar de stekende pijn, die ik over het geheele lichaam voelde, veroorloofde geen verderen twijfel. Wij waren half naakt uit den krater gekomen, en het schitterend gesternte, dat wij in geen twee maanden gezien hadden, vertoonde zich aan ons met een kwistigen overvloed van licht en warmte, en goot heerlijke stralen over ons uit.
Toen mijne oogen aan dien glans gewend waren, dien zij zoo lang hadden ontbeerd, maakte ik er gebruik van om de dwalingen mijner verbeelding te herstellen. Op zijn allerminst wilde ik op Spitsbergen zijn, en ik was niet gezind om het spoedig op te geven.
De professor vatte het eerst het woord op en zeide:
“Dat gelijkt volstrekt niet op IJsland.”
“Maar het Jan Mayen-eiland?” antwoordde ik.
“Evenmin, mijn jongen! dit is geen noordsche vulkaan met zijne heuvelen van graniet en zijn sneeuwhoed.”
“Echter…”
“Zie eens, Axel! zie eens!”

Op den top van den Stromboli.
Hoogstens vijf honderd voet boven ons opende zich de krater van een vulkaan, waaruit om het kwartier met een zeer sterk geraas een hooge vlammenzuil, vermengd met puimsteen, asch en lava, opsteeg. Ik voelde de stuiptrekkingen van den berg, die gelijk de walvisschen ademhaalde, en nu en dan vuur en rook door zijn geduchte neusgaten uitspoot. Onder ons breidden zich met eene vrij steile helling de vlakten van uitgebraakte stoffen van zeven tot acht honderd voet diep uit, hetgeen den vulkaan eene hoogte gaf van nog geen drie honderd vademen. Zijn voet verdween in een waren korf van groene boomen, waaronder ik olijfboomen, vijgeboomen en wijnstokken met purperen trossen onderscheidde.
Zoo zagen de noordelijke gewesten, ik moest het wel bekennen, er niet uit.
Over dien groenenden omtrek heen verloor de blik zich spoedig in het water eener heerlijke zee of van een meer, dat van dien liefelijken bodem een eiland maakte, dat nauwelijks eenige uren gaans breed kon zijn. In het oosten vertoonde zich eene kleine haven, met eenige huizen er voor, waarin vaartuigen van een bijzonderen vorm op de blauwe golfjes wiegelden. Verder doken groepen eilandjes uit de watervlakte op, in zulk een menigte, dat zij op een groot mierennest geleken. In het westen strekten zich verafgelegene kusten langs den gezichteinder uit; op sommigen vertoonden zich blauwe, zeer regelmatig gevormde bergen; op de andere, meer in de verte, verrees een verbazend hooge kegel, op wiens top zich een vederbos van rook bewoog. In het noorden fonkelde eene onmetelijke watervlakte in de zonnestralen, en zag men hier en daar den top van een mast of de bolronde zijde van een door den wind gezwollen zeil.
Het onverwachte van zulk een schouwspel verhonderdvoudigde nog zijne wonderlijke schoonheden.
“Waar zijn wij?” waar zijn wij?” herhaalde ik half luid.
Hans sloot onverschillig zijne oogen en mijn oom zag in het rond zonder er iets van te begrijpen.
“Welke berg het ook moge zijn,” zeide hij eindelijk, “het is hier een beetje warm; de uitbarstingen houden niet op, en het zou waarlijk de moeite niet waard zijn uitgebraakt te wezen om ten slotte nog een rotsbrok op het hoofd te krijgen. Laten wij naar beneden gaan, dan zullen wij wel ontdekken, waar wij ons aan te houden hebben. Bovendien sterf ik van honger en dorst.”
Zekerlijk was de professor geen man van bespiegelingen. Ik voor mij, behoefte en vermoeienis vergetende, zou nog uren lang op deze plek hebben willen blijven, maar ik moest mijne makkers volgen.
De zijde van den berg helde sterk; wij gleden in ware aschkuilen om de lavastroomen te ontwijken, die als vurige slangen zich kronkelden. Onder het dalen sprak ik met een grooten woordenrijkdom, want mijne verbeelding was te vol om zich niet in woorden te uiten.
“Wij zijn in Azië,” riep ik, “op de kusten van Indië, op de Sunda eilanden, midden in Australië! Wij hebben den halven aardbol doorgereisd om bij de tegenvoeters van Europa uit te komen!”
“Maar het kompas? antwoordde mijn oom.
“Ja! het kompas!” zeide ik met een verlegen gelaat … “Als wij het gelooven mogen, dan zijn wij altijd noordwaarts gegaan.”
“Heeft het dan gelogen?”
“O! gelogen!”
“Of dit moest de noordpool zijn!”
“De pool! neen; maar…”
Het was een onverklaarbaar feit. Ik wist niet, wat ik er van moest denken.
Intusschen naderden wij dat groen, dat zoo streelend was voor het oog. Honger en dorst kwelden mij. Gelukkig vertoonde zich na twee uur loopens eene schoone vlakte aan ons oog, geheel bedekt met olijfboomen, granaatappelboomen en wijnstokken, die niemands bijzonder eigendom schenen te zijn. Als lieden, die van alles beroofd waren, konden wij dan ook zoo nauw niet zien. Welk een genot, die sappige vruchten op onze lippen te drukken en geheele trossen uit die purpere wijngaarden te happen! Niet verre van daar in het gras ontdekte ik in de heerlijke schaduw der boomen eene frissche waterbron, waarin wij ons gelaat en onze handen met een gevoel van wellust dompelden.
Terwijl wij ons zoo aan al de genoegens der rust overgaven, verscheen een kind tusschen twee olijfboschjes.
“Ha!” riep ik uit, “een bewoner van dit gelukkige land!”
Het was een kleine, arme, zeer ellendig gekleede, ziekelijke knaap, dien ons gezicht scheen te beangstigen; wij zagen er dan ook half naakt en met ongeschoren baard zeer ongunstig uit, en als het geen land van dieven was, moest ons voorkomen zijne bewoners wel schrik aanjagen.
Zoodra de jongen op den loop wilde gaan, liep Hans hem na en bracht hem terug, ondanks zijn schreeuwen en schoppen.
Mijn oom begon met hem zoo goed mogelijk gerust te stellen en zeide hem in goed duitsch:
“Hoe heet die berg, vriendje?”
Het kind antwoordde niet.
“Goed!” zeide mijn oom, “wij zijn niet in Duitschland.” En hij herhaalde de vraag in het engelsch.
Het kind antwoordde evenmin. Ik was in groote spanning.
“Zou hij stom zijn?” riep de professor, die trotsch op zijne taalkennis dezelfde vraag in het fransch deed.
Het kind bewaarde het stilzwijgen.
“Dan zullen wij het italiaansch beproeven,” hernam mijn oom, en hij zeide in die taal:
“Dove noi siamo?”
“Ja! waar zijn wij?” herhaalde ik vol ongeduld.
Читать дальше