“Tot de laatste kruimel het voedsel, dat nog overgebleven is, opeten en onze verlorene krachten herstellen. Deze maaltijd zal onze laatste zijn, het zij zoo! maar ten minste zullen wij, in plaats van uitgeput te wezen, weder mannen zijn geworden.”
“Welnu! wij zullen eten!” riep ik uit.
Mijn oom nam het stuk vleesch en de weinige beschuiten, die uit de schipbreuk gered waren, maakte er drie gelijke deelen van en gaf ze ons. Het was ten naasten bij een pond voedsel voor elk. De professor at gulzig met eene soort van koortsige drift; ik, zonder trek ondanks mijn honger, en bijna met tegenzin; Hans, rustig, bedaard, en zonder leven te maken kleine beetjes kauwende en ze doorslikkende met de kalmte van een man, dien de bezorgdheid voor de toekomst niet kon verontrusten. Na lang zoeken had hij eene half volle flesch jenever gevonden, en dit weldadige vocht wekte mij weder eenigszins op.
“Förtrafflig!” zeide Hans op zijne beurt drinkende.
“Voortreffelijk!” antwoordde mijn oom.
Ik begon weder eenige hoop te koesteren. Maar onze laatste maaltijd was afgeloopen. Het was nu ’s morgens vijf uur.
Het is met den mensch zoo gesteld, dat zijne gezondheid een zuiver negatief iets is; als de behoefte aan voedsel eens voldaan is, kan men zich moeielijk de kwellingen van den honger voorstellen; men moet ze ondervinden om ze te begrijpen. Na het lange vasten zegevierden dan ook eenige beten beschuit en vleesch over onze doorgestane smarten.
Na dien maaltijd gaven wij ons allen aan onze overpeinzingen over. Waaraan dacht Hans, die man uit het hooge noorden, die onder de heerschappij stond van de oostersche leer van onderwerping aan het noodlot? Mijne denkbeelden bestonden slechts uit herinneringen, en deze voerden mij terug naar de oppervlakte van den aardbol, die ik nooit had moeten verlaten. Het huisje in de Koningstraat, mijn arme Gräuben, de goede Martha, gingen als gezichten voorbij mijne oogen, en in het doffe gebrul, dat door het vaste gesteente liep, meende ik het geraas van de steden op aarde te herkennen.
Mijn oom, “altijd bij de zaak,” onderzocht aandachtig met de toorts in de hand den aard der gronden; hij trachtte te onderscheiden waar hij was door de opeenvolging der op elkander liggende lagen. Die berekening of liever die schatting kon slechts bij benadering wezen; maar een geleerde is altijd een geleerde, wanneer het hem gelukt zijne koelbloedigheid te behouden, en zeker bezat professor Lidenbrock die hoedanigheid in een buitengewonen graad.
Ik hoorde hem woorden uit de geologische wetenschap mompelen: ik begreep ze en stelde ondanks mij zelven belang in die verhevene studie.
“Uitgebraakt graniet,” zeide hij; “wij zijn nog altijd in het eerste tijdperk; maar wij stijgen! wij stijgen! Wie weet?”
Wie weet? Hij hoopte dus nog altijd. Met zijne hand betastte hij den loodrechten wand, en eenige oogenblikken later hernam hij aldus:
“Dat is gneiss! dat mica-leisteen! Goed! nu komen weldra de gronden uit het overgangstijdperk en dan…”
Wat wilde de professor zeggen? Kon hij de dikte der aardschors boven ons meten? Bezat hij het eene of andere middel om die berekening te verrichten? Neen! Hij miste den luchtdichtheidsmeter, en geene schatting kon dien vergoeden.
Inmiddels nam de warmte geducht toe en ik was doornat midden in een gloeienden dampkring. Ik kon haar niet anders vergelijken dan met de hitte, die door de fornuizen eener ijzersmelterij wordt uitgestraald, wanneer het metaal vloeibaar wordt. Langzamerhand hadden Hans, mijn oom en ik onze buizen en vesten moeten uittrekken; het geringste kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaaglijkheid, om niet te zeggen van pijn.

Het geringste kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaagelijkheid.
“Stijgen wij dan naar een witgloeienden haard?” riep ik uit op een oogenblik dat de warmte verdubbelde.
“Neen!” antwoordde mijn oom, “het is onmogelijk! het is onmogelijk!”
“Maar die muur is gloeiend!” zeide ik den wand betastende.
Terwijl ik dit zeide, had mijne hand het water even aangeraakt en moest ik haar zoo spoedig mogelijk terug trekken.
“Het water is kokend heet!” riep ik.
Ditmaal antwoordde de professor slechts met een toornig gebaar.
Nu maakte zich een onoverwinnelijke schrik van mijne hersenen meester en verliet ze niet meer. Ik had een voorgevoel van een naderend onheil, en wel van een dat de stoutste verbeeldingskracht niet zou hebben kunnen bevatten. Een eerst onbepaald en weifelend denkbeeld werd in mijn verstand tot zekerheid. Ik durfde het niet onder woorden brengen. Intusschen bevestigden eenige onwillekeurige waarnemingen mijne overtuiging; bij het twijfelachtige toortslicht bespeurde ik onregelmatige bewegingen in de granietlagen; er was klaarblijkelijk een verschijnsel op handen, waarin de electriciteit eene rol speelde; dan die buitensporige hitte, dat kokende water!.. Ik besloot het kompas waar te nemen.
Het was miswijzend geworden!
Hoofdstuk XLIII
Miswijzend kompas. — Ontploffingen. — Eene uitbarsting. — Zwavelvlammen. — Het vlot blijft liggen. — Op nieuw opgestuwd
Ja miswijzend! De naald sprong met plotselinge schokken van de eene pool op de andere, doorliep al de streken van de windroos, en draaide, als had een duizeling haar bevangen.
Ik wist wel, dat volgens de meest algemeen aangenomene theoriën de delfstoffelijke schors van den aardbol nooit in een staat van volslagene rust is; de wijzigingen teweeggebracht door de ontbinding der inwendige stoffen, de beweging voortkomende uit de groote stroomingen der vloeistoffen, de werking van het magnetismus, dat alles strekt om haar onophoudelijk te schudden, zelfs dan als de op hare oppervlakte verspreide wezens hare ontroering niet vermoeden. Dit verschijnsel zou mij dus anders niet beangst of, althans in mijn geest, geen verschrikkelijk denkbeeld opgewekt hebben.
Maar andere feiten, sommige omstandigheden van gezegden aard; konden mij niet langer bedriegen, de ontploffingen vermenigvuldigden met eene verschrikkelijke kracht: ik kon ze alleen vergelijken met het geraas, dat een groot aantal karren, die snel over het plaveisel voortgetrokken worden, zouden maken. Het was een aanhoudende donder.
Het miswijzend kompas, geschokt door de electrieke natuurverschijnselen, bevestigde mij verder in mijne meening; de delfstoffelijke korst dreigde te breken, het massieve graniet zich te vereenigen, de scheur zich te sluiten, het ledige zich te vullen, en wij, nietige stofjes, zouden in die geduchte omhelzing verpletterd worden.
“Oom! oom! wij zijn verloren!” riep ik uit.
“Wat is dat voor een nieuwen schrik?” antwoordde hij mij met eene verbazende kalmte. “Wat scheelt u toch?”
“Wat mij scheelt? zie die muren die schudden; dat vaste gesteente dat scheurt; die verzengende hitte, dat kokende water, die dampen, die al dikker en dikker worden, die gekke naald, alle kenteekenen van eene aardbeving.”
Mijn oom schudde zachtjes het hoofd.
“Eene aardbeving?” vraagde hij.
“Ja!”
“Mijn jongen! ik geloof, dat gij u vergist!”
“Hoe! herkent gij dan die kenteekenen niet?”
“Van een aardbeving? neen? Ik verwacht wat beters!”
“Wat bedoelt gij?”
“Eene uitbarsting, Axel!”
“Eene uitbarsting!” zeide ik; “zijn wij dan in den schoorsteen van een werkenden vulkaan?”
“Ik denk het ten minste,” zeide de professor glimlachende, “en dat is het gelukkigste wat ons overkomen kan!”
Het gelukkigste! Was mijn oom dan gek? Wat beduidden die woorden? Van waar die kalmte en die glimlach?
“Hoe!” riep ik, “zijn wij midden in eene uitbarsting! Heeft het noodlot ons geworpen op den weg der witgloeiende lava, der brandende rotsen, van het kokende water, van alle uitgebraakte stoffen! zullen wij nu opgestuwd, uitgedreven, uitgeworpen, uitgebraakt, in de lucht geslingerd worden met de rotsblokken, de asch- en slakkenregens, in een dwarlwind van vlammen! en is dat het gelukkigste wat ons overkomen kan?”
Читать дальше