Baley werd er verdrietig van, alsof het iets was wat hem zelf omsloot, hem zelf afsneed van iets wat hij wilde. Hij zei: ‘Wat betekent dat laatste?’
Gladia zei: ‘Nou, de muren om je heen. Dat zit vooral in jou, de onmogelijkheid om naar buiten te gaan, de manier waarop je binnen moet blijven. Je bent daar binnen. Zie je dat dan niet?’
Baley zag het en om de een of andere reden beviel het hem niet. Hij zei: ‘Die muren zijn er niet altijd. Vandaag ben ik buiten geweest.’
‘O ja? En vond je het niet erg?’
Hij liet de gelegenheid om de bal terug te kaatsen niet voorbij gaan. ‘Net zo erg als jij het vindt om mij te zien. Je vindt het niet prettig maar je kunt het verdragen.’ Peinzend keek ze hem aan. ‘Wil je nu naar buiten? Met mij? Voor een wandeling?’
Baley had de neiging om te zeggen: Jehoshaphat, nee. Zij zei: ‘Ik heb nog nooit ziende met iemand gewandeld. Het is nog licht en het is goed weer.’
Baley keek naar zijn abstracte portret en zei: ‘Als ik meega, zul je het grijs dan weg halen?’
Zij glimlachte en zei: ‘Ik zal eens kijken hoe je je gedraagt.’ Ze gingen de kamer uit en het bouwsel van licht bleef achter. En het hield Baley’s ziel gevangen in het grijs van de Steden.
Baley huiverde een beetje. De lucht die zich tegen hem aan bewoog had iets kils.
Gladia zei: ‘Heb je het koud?’
‘Straks was het anders,’ mopperde Baley.
‘Het is nu laat op de dag, maar het is niet echt koud. Wil je een jas hebben? Een van de robots kan er zo een brengen.’
‘Nee. Het is wel goed zo.’ Zij liepen over een smal, geplaveid pad.
Hij zei: ‘Wandelde je hier altijd met dr. Leebig?’
‘O nee. We liepen veel verder het veld op, waar je nog maar een enkele robot ziet werken en je de dieren kunt horen. Jij en ik zullen nu maar dicht bij huis blijven, voor het geval dat.’
‘Het geval wat?’
‘Nou, voor het geval je naar binnen wilt.’
‘Of voor het geval dat je er genoeg van krijgt mij te zien?’ T)at kan me niets schelen,’ zei ze roekeloos. Boven hen was het vage geritsel van de bladeren en een alles doordringend geel en groen. In de lucht rondom hen waren scherpe, dunne kreten, en een krassend gegons, en ook schaduwen.
Hij lette vooral op de schaduwen. Een daarvan stak er voor hem uit, in de vorm van een mens, die zich in een afzichtelijke imitatie bewoog, als hij zich bewoog. Natuurlijk had Baley wel eens van schaduwen gehoord, maar in het diffuse, indirecte licht van de Steden had hij nooit bepaalde schaduwen opgemerkt.
Achter hem, wist hij, was de Solarische zon. Hij zorgde ervoor om er niet in te kijken, maar hij wist dat hij er was. De ruimte was groot, de ruimte was eenzaam, en toch trok het hem aan. Hij stelde zichzelf voor als iemand die over het wereldoppervlak liep met duizenden kilometers en lichtjaren ruimte om zich heen. Wat zou hem toch aantrekken in die eenzaamheid? Hij wilde geen eenzaamheid. Hij wilde de Aarde en de warmte en het gezelschap van de Steden, propvol mensen.
Hij was het beeld kwijt geraakt. Hij probeerde New York voor zijn ogen op te roepen, met zijn volte en zijn lawaai, en ontdekte dat er in zijn bewustzijn alleen maar plaats was voor de rust, de bewegende-lucht kilte van het oppervlak van Solarie. Zonder het eigenlijk te willen ging Baley dichter bij Gladia lopen, tot hij nauwelijks meer dan een meter bij haar vandaan was en werd zich toen bewust van haar verschrikte gezicht.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij onmiddellijk en vergrootte de afstand weer. Hijgend zei ze: ‘Al goed. Zullen we deze kant op lopen? Er zijn daar wat bloembedden die je misschien wel mooi zal vinden.’
De richting die ze aanwees lag van de zon af. Zwijgend volgde Baley haar.
Gladia zei: ‘Later in het jaar zal het heerlijk zijn. Als het warm is kan ik naar het meer hollen om te gaan zwemmen, of gewoon door de velden hollen, zo snel hollen als ik maar kan tot ik blij ben dat ik kan neer vallen en stil liggen.’ Zij keek omlaag naar zichzelf. ‘Maar daar is dit geen kostuum voor. Met dit allemaal aan moet ik wel wandelen. Bezadigd, weet je wel.’
‘Wat draag je het liefst?’ vroeg Baley.
‘Op zijn hoogst een beha en een broekje,’ riep ze terwijl ze haar armen omhoogstak alsof zij die vrijheid in haar verbeelding al voelde. ‘Soms minder. Soms alleen maar sandalen zodat je de lucht in elke porie… Oh, het spijt me. Ik heb u beledigd.’
Baley zei: ‘Nee. Het geeft niet. Was dat je kostuum als je met dr. Leebig ging wandelen?’
‘Dat varieerde. Het hing van het weer af. Soms droeg ik heel weinig, maar het was kijken, weet je wel. Dat begrijp je toch wel, hoop ik.’
‘Ik begrijp het. En dr. Leebig? Was die ook zo licht gekleed?’
‘Jothan licht gekleed?’ Gladia glimlachte snel. ‘O nee. Hij is altijd heel plechtig.’ Zij vertrok haar gezicht tot een weinig overtuigende uitdrukking van ernst en knipoogde half, en had de essentie van Leebig zo goed te pakken dat zij Baley een waarderend gegrom ontlokte. ‘Dit is zijn manier van praten,’ zei zij. ‘Mijn waarde Gladia, met het oog op het effect van een eersterangs potentieel op de positronische stroom…’
‘Praatte hij daar met jou over? Robotiek?’
‘Meestal wel. Oh, hij vat het heel ernstig op, weet je wel. Hij probeerde mij er altijd wat van bij te brengen. Hij gaf het nooit op.’
‘Heb je er iets van geleerd?’
‘Geen letter. Niets. Voor mij is het een grote warboel. Soms werd hij boos op me, maar als hij me een standje gaf dook ik het water in, als we in de buurt van het meer waren en spatte ik hem nat.’
‘Hem nat spatten? Ik dacht dat jullie keken?’ Zij lachte. ‘Wat ben je me toch een Aardebewoner. Ik spatte naar waar hij in zijn eigen kamer of op zijn eigen terrein stond. Hij kon niet nat worden maar toch dook hij weg. Kijk daar eens.’
Baley keek. Ze waren een houten pad afgelopen en kwamen nu bij een open plek met in het midden een siervijver. Lage stenen muurtjes liepen door de open plek heen en braken het. Keurig gerangschikt bloeide er een overvloed van bloemen. Uit de boek-films die hij gezien had wist Baley dat het bloemen waren.
De bloemen hadden wel iets van de lichtpatronen die Gladia construeerde en Baley dacht dat zij die in de geest van bloemen maakte. Voorzichtig raakte hij er een aan en keek toen om zich heen. Rood en geel domineerden. Terwijl hij om zich heen keek ving Baley een glimp van de zon op. Onbehaaglijk zei hij: ‘De zon staat laag in de hemel.’
‘Het is laat in de middag,’ riep Gladia naar hem. Zij was naar de vijver toe gehold en zat nu op een stenen bank die aan de rand stond. ‘Kom hier,’ riep zij en zij wuifde met haar hand. ‘Als je niet graag op steen zit kun je blijven staan.’
Langzaam kwam Baley dichterbij.
‘Komt hij elke dag zo laag?’ en meteen had hij er al spijt van dat hij het gevraagd had. Als de planeet rondwentelde zou de zon zowel ’s morgens en ’s avonds laag in de hemel staan. Alleen ’s middags zou hij hoog kunnen staan. Maar al zei hij dit tegen zich zelf, het kon het beeld dat hij een leven — lang voor ogen had gehad niet veranderen. Hij wist dat er zoiets als nacht was en hij had het zelf meegemaakt, met de dikte van een hele planeet veilig tussen mens en zon. Hij wist dat er wolken waren en een beschermend grijs dat het ergste van ‘buiten’ verborg. En toch, als hij aan planetaire oppervlakken dacht, was het altijd een beeld van stralend licht met een zon hoog in de hemel. Hij keek over zijn schouder, net vlug genoeg om een flits van de zon op te vangen, en vroeg zich af hoe ver weg het huis was, als hij terug zou willen. Gladia wees naar het andere eind van de stenen bank. Baley zei: ‘Is dat niet wat dicht bij jou?’ Zij spreidde haar kleine handen uit, met de palmen omhoog, ‘ik begin eraan te wennen, werkelijk.’
Читать дальше