‘Honderd baby’s? Ik heb daar nooit iets over gehoord, Lona!’
‘Je moet op reis zijn geweest. Ze hebben er heel wat drukte over gemaakt.’
‘Hoe oud ben je eigenlijk?’
‘Zeventien nu.’
‘Dus je hebt niet een van die baby’s zelf gedragen?’
‘Nee. Nee. Dat is ’t nu juist. Ze haalden de eitjes bij me weg en daarmee was de kous af, voor mij tenminste. Ik kreeg natuurlijk heel wat publiciteit. Te veel.’
Ze gluurde hem schuw aan. ‘Ik verveel je vast met al dat gepraat over mezelf.’
‘Maar ik wil het horen.’
‘Het is niet zo interessant. Ik ben een heleboel keer op de video geweest. En op de tapes. Ze lieten me niet met rust. Ik had niet veel te zeggen, omdat ik niets gedaan had, weet je. Alleen maar donor. Maar toen mijn naam uitlekte, kwamen ze allemaal op me af. De hele tijd verslaggevers. Nooit alleen, en toch altijd alleen, snap je? Toen kon ik ’t niet meer hebben. Alles wat ik wou — een paar baby’s uit mijn eigen lichaam, geen honderd baby’s uit machines. Dus toen heb ik geprobeerd mezelf te doden.’
‘Door je hoofd in een vuilnisschacht te steken.’
‘Nee, dat was de tweede keer. De eerste keer gooide ik me onder een vrachtwagen.’
‘Wanneer was dat?’ vroeg Burris.
‘Verleden zomer. Ze brachten me hier naar toe en lapten me op. Toen stuurden ze me weer terug naar ’t oosten. Ik woonde op een kamer. Ik was overal bang voor. Ik werd te angstig en op een keer liep ik door de hal naar de oploskamer en deed de vuilnisschacht open — nou, het lukte weer niet. Ik leef nog steeds.’
‘Wil je nog steeds zo graag dood, Lona?’
‘Ik weet ’t niet.’ De smalle handen maakten grijpende bewegingen in de lucht. ‘Als ik maar iets had om me aan vast te houden… Maar wacht, ik mag niet zoveel over mezelf praten. Ik wilde je alleen maar laten weten waarom ik hier ben. Jij bent degene die —’
‘Je mag niet zoveel over jezelf praten? Van wie niet?’
Er verschenen rode vlekken op haar ingevallen wangen. ‘O, dat weet ik niet, ik bedoel, ik ben niet zo erg belangrijk. Laten we over de ruimte praten, Kolonel Burris!’
‘Geen Kolonel. Minner.’
‘Daar in de ruimte —’
‘Zijn Dingen die je grijpen en je helemaal veranderen. Dat is de ruimte, Lona.’
‘Wat verschrikkelijk!’
‘Dat vind ik ook. Maar wakker mijn overtuiging niet aan.’
‘Ik kan je niet volgen.’
‘Ik heb verschrikkelijk veel medelijden met mezelf,’ zei Burris. ‘Als je me even de kans geeft, giet ik je oorschelpje vol met nare dingen. Ik zal je dan vertellen hoe onrechtvaardig ik ’t vind wat ze met me hebben gedaan. Ik zal dan doordrammen over de onrechtvaardigheid van het blinde universum. Ik zeg dan een heleboel stomme onzin.’
‘Maar je hebt recht om er kwaad over te zijn! Je kwam niet om ze kwaad te doen. Ze namen je gewoon gevangen en —’
‘Ja.’
‘Dat was niet fatsoenlijk van ze!’
‘Dat weet ik, Lona. Maar dat heb ik allemaal al eindeloos gezegd, meestal tegen mezelf maar ook tegen wie ook maar wou luisteren. Het is praktisch ’t enige wat ik zeg of denk. En zodoende heb ik een tweede transformatie onder gaan. Van mens tot monster; van monster tot een lopende belichaming van de onrechtvaardigheid.’
Ze zag er verward uit. Ik praat langs haar heen, zei hij tegen zichzelf.
Hij zei: ‘Wat ik bedoel is, ik ben geworden wat me is over komen. Ik ben een ding, een artikel, een morele gebeurtenis Andere mannen hebben ambities, verlangens, prestaties, re sultaten. Ik heb mijn verminking, en het vreet me op. Heeft me al opgevreten. Dus nu probeer ik om er aan te ontsnappen.’
‘Je bedoelt dat je liever niet praat over wat er met je gebeurd is?’ vroeg Lona.
‘Zoiets.’
Ze knikte. Hij zag haar neusvleugels trillen, zag haar lippen zich van opwinding krullen. Een glimlach brak door. ‘Weet je, Kol — Minner — zo is ’t met mij ook zo’n beetje. Ik bedoel, van dat slachtoffer zijn en zo, en dat je zo met jezelf begaan bent. Ze hebben mij ook iets heel ergs aangedaan en vanaf die tijd kan ik daar alleen nog maar aan denken en me kwaad over maken. Of ik word er ziek van. En wat ik eigenlijk zou moeten doen is de hele boel vergeten en me met iets anders bezighouden.’
‘Ja.’
‘Maar ik kan ’t niet. In plaats daarvan blijf ik maar proberen om mezelf van kant te maken omdat ik heb besloten; dat ik ’t niet kan verdragen.’ Haar ogen sloeg ze neer.l ‘Vind je ’t vervelend als ik je vraag — heb jij — heb jij ooit geprobeerd —’
Ze stokte.
‘Om mezelf te doden sinds het gebeurd is? Nee. Nee, Lona. Ik zit alleen maar te broeden. Langzame zelfmoord noemen ze dat.’
‘We zouden een afspraak met elkaar moeten maken,’ zei ze. ‘In plaats van dat ik medelijden met mezelf heb, en jij met jou, zou ik met jou begaan moeten zijn, en jij met mij. En we vertellen elkaar dan hoe hard de wereld geweest is voor de ander. Maar niet tegen onszelf. Ik zeg alles door elkaar, maar begrijp je wat ik bedoel?’
‘Een wederzijds sympathiegezelschap. Slachtoffers van het universum, verenigt u!’ Hij lachte. ‘Ja. Ik begrijp het. Een goed idee, Lona! ’t Is precies wat ik — wat wij nodig hebben. Ik bedoel, precies wat jij nodig hebt.’
‘En wat jij nodig hebt.’
Ze zag er voldaan over zichzelf uit. Ze glimlachte van oor tot oor en Burris was verrast door de verandering die over haar uiterlijk kwam toen die gloed van zelfingenomenheid verscheen. Ze leek een jaar of twee ouder te worden, aan kracht en persoonlijkheid te winnen. En zelfs aan vrouwlijkheid. Een moment lang was ze niet langer meer tenger en pathetisch. Maar toen verdween de gloed en ze was weer een klein meisje.
‘Hou je van kaarten?’
‘Ja.’ _
‘Ken je de Tien Planeten?’
‘Als je ’t me leert,’ zei Burris.
‘Ik ga de kaarten halen.’
Ze bolderde de kamer uit met haar kamerjas wapperend om haar tengere figuurtje. Toen ze een moment later terugkwam met een stel wasachtige kaarten, ging ze bij hem op liet bed zitten. Burris’ snelle blik was op haar gericht toen de middelste sluiting van haar pijama zijn polariteit verloor en hij ving een glimp op van een kleine, stevige witte borst. Een ogenblik later ging ze met haar hand over de sluiting. Ze was niet helemaal een vrouw, zei Burris tegen zichzelf, maar ook geen kind. En toen schoot ’t hem weer te binnen: dit slanke meisje is moeder (?) van honderd baby’s.
‘Heb je ’t ooit gespeeld?’ vroeg ze.
‘Ben bang van niet.’
‘Het is heel eenvoudig. Eerst deel ik aan allebei tien kaarten uit —’
Zestien
De uil, al zijn veren ten spijt, was koud
Ze stonden naast elkaar bij de energiecentrale van het ziekenhuis, kijkend door de transparante muur. Daarbinnen zwiepte en draaide iets vezelachtigs terwijl het energie opnam van de dichtstbijzijnde mast en deze doorgaf aan de transformator. Burris was haar aan het uitleggen hoe de energie op die manier werd overgebracht, draadloos. Lona probeerde er naar te luisteren, maar het interesseerde haar eigenlijk niet genoeg om het te willen weten. Het was moeilijk om je op iets dergelijks te concentreren, iets wat zo ver van haar ervaringswereld aflag. Vooral met hem naast haar.
‘Heel wat anders dan vroeger,’ zei hij. ‘Ik kan me nog een tijd herinneren toen de miljoen-kW draden over het land gespannen lagen, en ze er over aan ’t praten waren om het voltage tot anderhalf miljoen op te voeren.’
‘Je weet zoveel dingen. Hoe had je de tijd om dat van die elektriciteit allemaal te leren terwijl je ook nog ruimteman moest zijn?’
‘Ik ben vreselijk oud,’ zei hij.
‘Ik wed dat je nog geen tachtig bent.’
Ze maakte een grapje, maar hij scheen dat niet te beseffen. Zijn gezicht vertrok zich op die vreemde manier, waarbij zijn lippen (kon je ze nog wel lippen noemen?) naar opzij gingen naar zijn wangen toe. ‘Ik ben veertig jaar,’ zei hij hol. ‘Ik veronderstel dat veertig voor jou zoiets als tachtig betekent.’
Читать дальше