De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd.
’Hoe weet die vent… Laat hem boven komen.’
De Cock keek de man die op de stoel naast zijn bureau was geploft, onderzoekend aan. Hij zag er vaal en onverzorgd uit, maar zijn donkerbruine ogen stonden helder. De oude rechercheur schatte hem op achter in de veertig, maar hij realiseerde zich onmiddellijk dat die schatting, gezien het verwaarloosde uiterlijk van de man, weinig zekerheid bood. Vermoedelijk was hij jaren jonger.
Met zijn ruige haardos van een ondefinieerbare kleur, boog de man zich naar hem toe.
De grijze speurder snoof. Een zoete zweetgeur prikkelde zijn neusgaten.
’Steek van wal,’ opende hij vriendelijk.
De man keek hem schattend aan
’U bent toch rechercheur De Cock?’
’De Cock… eh, De Cock met ceeooceekaa,’ antwoordde hij bijna automatisch. ’Ik wil graag dat mijn naam goed wordt gespeld.’
Om de mond van de man gleed een glimlach.
’Ceeooceekaa,’ grinnikte hij, ’uw handelsmerk. Ik ben Adriaan… Adriaan van Bovenkerk.’
Hij grinnikte opnieuw.
’Van beroep zwerver.’
De Cock liet de opmerking aan zich voorbijgaan.
’U… eh, u wilt inlichtingen over de dood van Harold de Vries?’ vroeg hij weifelend.
Adriaan van Bovenkerk knikte.
’Ik wil weten hoe hij om het leven werd gebracht en of u al oog hebt op een dader?’
’Wie… eh, wie heeft u van zijn dood verteld? Ik heb zijn gewelddadig overlijden tot nu toe buiten de pers gehouden.’ Adriaan van Bovenkerk wees naar de telefoon op het bureau van De Cock.
’Onze tamtam gaat sneller dan uw telefoon.’
De oude rechercheur keek hem strak aan.
’Ik kreeg geen antwoord op mijn vraag. Wie heeft u van zijn dood verteld?’
Adriaan van Bovenkerk grijnsde.
’Dat antwoord wil ik u niet geven. Nog niet. Maar ik beloof u dat ik u straks duidelijk zal maken hoe wij aan de wetenschap van zijn dood zijn gekomen.’
’Graag.’
De zwerver vouwde zijn handen en toonde vervuilde vingers en een dubbele rij nagels met rouwrandjes.
’Ik kan u wel zeggen,’ sprak hij ernstig, ’dat er in mijn… eh, mijn kennissenkring druk over zijn dood wordt gespeculeerd.’
’Over het motief?’
’Wij beschouwen Harold de Vries als een van ons… een lieve, beminnelijke en desondanks verstoten man, die onze aandacht en hulp verdient.’
’Hij is dood.’
’Maar zijn moordenaar leeft.’
’En?’
Adriaan van Bovenkerk verschoof iets op zijn stoel. ’Er is ons veel aan gelegen dat de moordenaar van Harold de Vries wordt gestraft. Zelfs in onze kringen hecht men nog waarde aan gerechtigheid.’
Hij trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
’Wij bieden u onze hulp aan.’
Over het gezicht van De Cock gleed een glimlach.
’Hoe wilt u die realiseren?’
De zwerver bracht zijn handen even voor zijn ogen en nam ze daarna weer weg.
’Wij zijn met velen. En we zijn niet blind. Wij hebben ogen en oren, overal. U vroeg zich af hoe wij kennis droegen van Harolds dood.’
’Inderdaad.’
’Voordat de bewaker van de beveiligingsdienst over de voeten van Harold struikelde, had een van ons hem al zien liggen. Op de verlaten kop van het Stenenhoofd. Er is daar een rooster… een metalen rooster. Vanuit de opslagruimten op het Stenenhoofd wordt via dat rooster warme lucht geventileerd. Het is voor ons een geliefde slaapplaats.’
De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
’Wie is die man die de dode Harold zag?’
’Dat zeg ik u niet.’
’Waarom heeft hij zijn vondst niet aan ons gemeld?’
’Wat is een zwerver?’ sprak Adriaan geringschattend. ’Voor een op succes beluste rechercheur een gemakkelijke prooi om als verdachte aan te merken. Onze man meende dat hij de politie die kans niet mocht geven.’
De Cock leunde achterover in zijn stoel. De opmerking prikkelde hem.
’Ik ben geen op succes beluste rechercheur!’ riep hij kwaad. ’Laat mij met die man praten. Ik ben niet uit op een gemakkelijke prooi. Ik wil de werkelijke dader op basis van een deugdelijke bewijsvoering.’
De zwerver keek hem doordringend aan.
’En onze hulp?’
De Cock knikte met een zucht.
’Die accepteer ik.’
Vledder keek De Cock verwonderd aan.
’Vormen de Amsterdamse zwervers een soort heilig verbond?’ De oude rechercheur trok zijn schouders op.
’Ik heb er nooit iets van gemerkt.’
’Hebben wij in ons werk wel eens iets met zwervers van doen gehad?’
De Cock knikte.
’Zijdelings. Denk maar eens aan die dode zwerver tegen de muur van de Zuiderkerk. [5] Zie: De Cock en het lijk aan de kerkmuur.
Ik herinner mij nog wat Bram van Wielingen van de kleding van de man zei: ”Vlooien, luizen, platjes en een broek stijf van de urine”.’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Ik had niet de indruk dat die Adriaan van Bovenkerk vlooien, luizen, platjes en een broek stijf van de urine had. Hij had het aanzien van een zwerver, maar naar mijn gevoel was hij dat niet. Zijn taalgebruik was ook heel behoorlijk.’
De Cock knikte.
’Ik denk dat wij het begrip ”zwerver” heel genuanceerd moeten benaderen. Ik vermoed dat hun onderscheidenheid net zo selectief is als in andere sectoren van onze samenleving.’
’Net zo gecompliceerd?’
’Beslist.’
Vledder glimlachte.
’Zal Adriaan jou de man leveren die de dode Harold de Vries voor het eerst heeft opgemerkt?’
De Cock knikte.
’Dat heeft hij mij uiteindelijk beloofd. Hij wilde de man daarover eerst voorzichtig benaderen. Op vrijwilligheid behoeven wij volgens Adriaan niet te rekenen. Het wantrouwen onder de zwervers jegens de politie is groot.’
Vledder gniffelde.
’Hebben wij dat verdiend?’
’Blijkbaar.’
’Denk je dat die man iets kan bijdragen?’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. Daarna keek hij op. ’Bel straks Bram van Wielingen. Ik wil foto’s van de kop van het Stenenhoofd, waarop ook de plek van het rooster.’
’Wat wil je daarmee?’
Het markante gezicht van De Cock verstarde tot een masker. ’Zo’n heerlijk verwarmd rooster vormt onderling vaak het strijdtoneel voor naar goede slaapplaatsen verlangende zwervers.’
’Je bedoelt?’
De Cock knikte.
’Dat Harold de Vries ook door een medezwerver kan zijn vermoord.’
Vledder keek hem met grote ogen aan.
’De man,’ lispelde hij, ’die hem voor het eerst ontdekte.’ De Cock keek hem goedmoedig aan.
’Dick Vledder, dit is vanmorgen de derde keer dat ik je ogen open.’
De Cock schoof de mouw van zijn Harris-tweedcolbert iets terug en keek op zijn horloge. Het was bijna twaalf uur ’s middags. Hij gebaarde naar Vledder, die aan zijn bureau tegenover hem zat.
’Denk je om je tijd?’ sprak hij vermanend. ’Je moet Madeleine de Bouchardon nog van huis halen voor de herkenning. Je moet haar toch ook een beetje voorbereiden op wat haar op Westgaarde te wachten staat.’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
’Zou ze al weten dat haar ex-man werd vermoord?’ De Cock trok zijn schouders op.
’Misschien. Het ligt voor de hand dat Jeroen van Moerdijk haar al heeft ingelicht. Maar ik zou haar toch maar voorzichtig benaderen.’
’Dat begrijp ik.’
’En denk erom… je kunt dokter Rusteloos niet op je laten wachten.’
Vledder stond op.
’En wat ga jij in de tussentijd doen?’
De Cock leunde in zijn stoel achterover.
’Ik denk dat ik straks op mijn gemak even naar de Reguliersdwarsstraat tippel.’
’Voor een onderhoud met Maurice de Bouchardon?’
’Als ik hem thuis tref.’
Vledder keek vanuit de hoogte op zijn oude collega neer. ’Probeer chef Buitendam zover te krijgen, dat hij jou via de rechter-commissaris een bevel tot huiszoeking meegeeft.’ De Cock reageerde verrast.
Читать дальше