Guido Gezelle - Laatste verzen

Здесь есть возможность читать онлайн «Guido Gezelle - Laatste verzen» — ознакомительный отрывок электронной книги совершенно бесплатно, а после прочтения отрывка купить полную версию. В некоторых случаях можно слушать аудио, скачать через торрент в формате fb2 и присутствует краткое содержание. Жанр: Поэзия, foreign_antique, foreign_prose, foreign_poetry, на нидерландском языке. Описание произведения, (предисловие) а так же отзывы посетителей доступны на портале библиотеки ЛибКат.

Laatste verzen: краткое содержание, описание и аннотация

Предлагаем к чтению аннотацию, описание, краткое содержание или предисловие (зависит от того, что написал сам автор книги «Laatste verzen»). Если вы не нашли необходимую информацию о книге — напишите в комментариях, мы постараемся отыскать её.

Laatste verzen — читать онлайн ознакомительный отрывок

Ниже представлен текст книги, разбитый по страницам. Система сохранения места последней прочитанной страницы, позволяет с удобством читать онлайн бесплатно книгу «Laatste verzen», без необходимости каждый раз заново искать на чём Вы остановились. Поставьте закладку, и сможете в любой момент перейти на страницу, на которой закончили чтение.

Тёмная тема
Сбросить

Интервал:

Закладка:

Сделать

DE VEERTIENSTE STONDE:

EN BEGRAVEN

Joseph van Arimatheia:

Ons laat den Heere, na de rouwgeplogentheden,
’t nog onlangs uit den steen gegraven graf besteden,
dat mij was voorbereid. – Het roomsche volk zal ’t waken,
misschien, en joodsche wantrouw zegelvast het maken.

De vier heilige Evangelisten:

Zoo spraken ze, en ’t gebeurde recht alzoo zij spraken:
van roomsche en ander volk, van zegelvast en waken;
maar Jesus heeft de Dood, eer dagen drie geleden,
– gestegen uit den steen, onsterflijk, – doodgetreden:

Allen, eenmaal:

Hallelu-jah!

1897

VRIENDENZOEN

VIS UNITA FORTIOR

Waar zat gij dan
gestoken gij,
verduisterd en
verdoken, gij,
o vriendenhert:
door vriendenhand
zoo waandet ge in
uw onverstand,
gekwetst en afgewezen?
’k En hadde u nooit
vergeten, ik,
geen weêrstand u
verweten, ik;
geen stroo u in
den weg geleid,
geen werk gedaan,
geen woord gezeid
dat kwetsend u kon wezen.

Nog meer als ik,
zijt gij, misschien
een vriendenherte,
en mij, misschien
spijts al hetgeen
ons beider liefde
in stukken smeet,
een ware vriend gebleven?
Dat vriendschap is
moet sterker zijn,
moet sterk alzoo
de kerken, zijn
gesteund op vast-
en dieper grond
als vriendenhand
en vriendenmond,
zoo nu, zoo na dit leven.

’t Is dit alleen,
dat scheiden ons
zoo bitterlijk,
dat beiden ons
kon drijven om,
gij hier, ik daar,
verre af en zoo
nabij malkaar,
te porren en te pogen
aan ’t gene ik wist,
of waande, dat
het was; en gij
hieldt staande dat
het niet en was;
niet anders als
een ijdel woord,
een vuil en valsch,
en opgesmukte logen.

Zoo ziet men ’t gene
op dezen dag
nog ijzervast
gevezen lag,
verworteld en
verwassen, eer
’t ooit morgen is,
met eenen keer,
ter stede, in stukken vliegen;
zoo komt men eere
en trouw vaneen,
zoo komt men man
en vrouw vaneen,
zoo vriendenherte
en vriendenhand
en volk intween te liegen.

’k Herbiede u dan
de vriendenhand,
het vriendenhert,
den vriendenband,
die, spannende en
weerspannig aan
ons beider bede,
is losgegaan,
nu weer aaneen te binden.
’k Herbiede u hulpe
en bijstand, in
den strijde, om weêr
den vijand in
te stormen: en
dat ongekleed,
dat edel Wicht
dat Waarheid heet,
te zoeken en te vinden.

30/1/’97

IK DROOME ALREÊ

Ik droome alreê van u, mijn kind,
en van de blijde dagen, de dagen
dat samen wij, en welgezind,
vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind,
ons lief en leed gaan dragen.

Ik droome alreê van u, mijn kind,
noch late ik mij gelegen, gelegen
aan al dat aardsch en bitter smaakt,
dat ’t lijf en ’t lijf alleene raakt,
en daar de geest kan tegen.

Ik droome alreê van u, mijn kind;
gij hebt hem, doorgestreden, gestreden
den nacht dien ’s vijands booze hand
gespreid had om ’t beloofde land:
gij zijt erin getreden.

Ik droome alreê van u, mijn kind,
en ga ik langs de straten, de straten,
daar heimlijk in mijn herte weunt
’t gedacht daar al mijn hope op steunt:
God zal u mij toch laten.

Aan Eug. van Oye. 12/2 ’97.

O BAND

o Band, om oost en west te snoeren,
om zuid en noord, om zee en zand
ter overwinning heen te voeren,
o hert- en ziel- en tongenband,
vereent mij, lijf en ziele en aderen,
met de overeeuwde onvalsche vaderen
en… leve vrij ons Vlanderland!

12/2 ’97.

WIJ NADEREN

Hoe komt het, dat de lucht,
zoo hel, geleên
twee stonden amper, nu
vol duisterheên,
vol donkerte is? Hoe komt ’t
dat ’t gers, zoo net
een’ schreê te ruggewaard,
is al besmet
met onraad nu? Hoe ligt
alomme hier
gebroken handalaam
en drukpapier?
De zonne is blindgedoekt
en rookgeweld,
dat bitter is van bete,
omhooggesnelt,
of doolt de wegen langs,
en stinkt! Wat is ’t,
dat ’t overal, omtrent
mij, goort en gist
en geil is nu? Dat zacht
en zoete om gaan
en zijn de paden meer?
Dat ’t steen voortaan,
dat ’t tanden ongetemd,
dat ’t schorren scherp,
dat ’t kale keien zijn,
die ’k ommewerp?
Waar ben ik, meldt het mij:
verdoold in schijn?
– Wij naderen ’t gebied
daar menschen zijn!

16/2 ’97.

ZEGEPRAAL

De zonne vecht! Het noordervolk
komt woedend opgestoven,
de diepten uit, afgrijzelijk
verbolgen. Bergen boven
malkanderen zij werpen gaan,
in ’s hemels aangezicht:
den al te schoonen dag uitdoen,
en dooden ’t zonnelicht!

Het spettert, uit de wolken, vier
en vlamme; kwade steenen,
van rammelenden hagelslag,
en bliksem, al met eenen,
vergâren mij de reuzen in
hun vuisten vol geweld,
en ruien ze, onbermhertiglijk
daarheen in ’t zonneveld.

’t Is donker nu, ’t is donkerder,
nog donkerder! Gevaren,
als machtig, overmachtig groote,
en mammothsche adelaren,
omslaan de wolken alles, en
voor ’t nachtelijk bedwang,
onthemelt al dat hemel is,
in ’s hemels zwart gevang.

’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,
dat overheerlijk blaken,
dat altijd even schoone van
de schoone zonnekaken?
’t Is nacht! En zijt voor goed nu gij
gedompt en doodgedaan?
Gij, beeld des Alderhoogsten, zult
gij, stervend, ondergaan?

Staat op! Het worde dag weerom!
Staat op, en slaat die booze,
die duistere onbedachten, gij,
des hemels schoone rooze;
gij, onverkrachte lichtvorstin,
staat op, uit uwen schans,
en plettert, onbermhertiglijk,
die domme reuzen gansch!

De zonne vecht! Zij duwt den spiet,
den onverwonnen gaffel
des zonnelichts, de reuzen in
den zwartgezwollen naffel;
ze bersten, en ze bulderen
malkander slaande, intween;
en, hersens in de kele valt
het reuzenrot ineen.

Ze pletteren te grondewaard,
ze pletsen en ze plassen,
dat ’t bommelt in de lucht alom:
lijk honden zijn ’t die bassen.
De wereld stroomt, afgrijzelijk,
van ’t bloed alsof het waar’,
van de eindelijk verwonnen, en
verwenschte reuzenschaar.

Ze ’n zijn niet meer… ze ’n zijn niet meer.
Ze waren!.. In hun stede
komt helderheid, komt hemelsblauw,
komt goud, dat schittert, mede.
De zonne vocht, de zonne won,
en, tierende overluid:
„Hier ben ik!” roept ons zonneken
„des vijands vonke is uit!”

Kortrijk, 12/3 1897.

DIE MIJN HERT BEMINT

Die mijn hert bemint, o konde ik
hem gevinden! Heere, vonde ik
U, mijn hert, mijn toeverlaat,
wiste ik waar hij henengaat.

Ver van mij, dat ben ik zeker,
is de liefde- en troostinspreker,
want mijn herte zwemt, o wee,
in een wijde tranenzee.

Is hij in de blommen? Neen-hij:
in goud, rijkdom of gesteen hij,
als hij in mijn hert niet is,
neen-hij, neen-hij, neen gewis.

Читать дальше
Тёмная тема
Сбросить

Интервал:

Закладка:

Сделать

Похожие книги на «Laatste verzen»

Представляем Вашему вниманию похожие книги на «Laatste verzen» списком для выбора. Мы отобрали схожую по названию и смыслу литературу в надежде предоставить читателям больше вариантов отыскать новые, интересные, ещё непрочитанные произведения.


Отзывы о книге «Laatste verzen»

Обсуждение, отзывы о книге «Laatste verzen» и просто собственные мнения читателей. Оставьте ваши комментарии, напишите, что Вы думаете о произведении, его смысле или главных героях. Укажите что конкретно понравилось, а что нет, и почему Вы так считаете.

x