Zodra ze buiten het Stadion waren gooide hij haar op de grond, en Sartes belandde naast haar. Een paar toeschouwers vormden een halve cirkel om haar heen en gaapten haar aan, hongerig naar bloed.
“Ga nog eens het Stadion binnen,” snauwde de soldaat, “en je wordt opgehangen.”
Tot haar verrassing draaiden de soldaten zich zonder nog een woord te zeggen om, en verdwenen weer in de menigte.
“Ceres!” schreeuwde een diepe stem.
Ceres keek op en zag tot haar opluchting Nesos en Rexus hun kant op komen. Ze snakte naar adem toen Rexus zijn armen om haar heen sloeg. Toen trok hij zich terug, zijn ogen gevuld met bezorgdheid.
“Het gaat wel,” zei ze.
Terwijl massa’s mensen het Stadion uit stroomden, haastten Ceres en de anderen zich de straten op. Ze wilden geen confrontaties meer. Terwijl ze over het Fonteinplein liep, speelde Ceres de gebeurtenissen in haar hoofd af. Het duizelde haar nog steeds. Ze zag de blikken van haar broers, en vroeg zich af wat ze dachten. Waren ze getuige geweest van haar krachten? Waarschijnlijk niet. De omnicat was te dichtbij geweest. Maar ze zag ook een nieuw soort respect in hun ogen. Ze wilde niets liever dan hen vertellen wat er echt gebeurd was. Maar ze wist dat ze dat niet kon doen. Ze was er zelf niet eens zeker van.
Er was nog zoveel niet uitgesproken tussen hen, maar nu, ten midden van deze menigte, was niet de tijd om te praten. Ze moesten eerst zien dat ze veilig naar huis kwamen.
Hoe verder weg te van het Stadion kwamen, hoe minder druk de straten werden. Rexus, die naast haar liep, pakte haar hand vast en verstrengelde zijn vingers met de hare.
“Ik ben trots op je,” zei hij. “Je hebt het leven van je broertje gered. Ik weet niet hoeveel zussen dat gedaan zouden hebben.”
Hij glimlachte, zijn ogen gevuld met medeleven.
“Die wonden lijken behoorlijk diep,” merkte hij op met een blik op haar rug.
“Komt wel goed,” mompelde ze.
Het was een leugen. Ze wist helemaal niet zeker of het goed zou komen, of dat ze zelfs maar thuis zou kunnen komen. Ze voelde zich duizelig door het bloedverlies, en het hielp ook niet echt dat haar maag knorde en dat de brandende zon het zweet over haar rug deed lopen.
Eindelijk bereikten ze het Fonteinplein. Zodra ze langs de kraampjes liepen, werden ze gevolgd door een verkoper, die hen een grote mand eten voor de halve prijs aanbod.
Sartes grijnsde van oor tot oor—wat ze behoorlijk vreemd vond—en toen hield hij met zijn goede arm een koperen munt omhoog.
“Ik denk dat ik je wel wat eten verschuldigd ben,” zei hij.
Ceres snakte naar adem. “Waar heb je dat vandaan?”
“Dat rijke meisje in de gouden koets gooide twee munten naar buiten, niet één. Maar iedereen was zo gefocust op het gevecht tussen de mannen dat ze het niet eens merkten,” antwoordde Sartes, zijn glimlach nog steeds intact.
Ceres werd kwaad en wilde de munt uit Sartes’ hand grissen en hem weggooien. Dat was tenslotte bloedgeld. Ze hadden niets nodig van rijke mensen.
Maar toen ze haar arm uitstrekte om de munt van hem af te pakken, werd haar weg ineens versperd door een oude vrouw.
“Jij!” zei ze, wijzend naar Ceres. Haar stem was zo luid dat Ceres het gevoel had dat hij dwars door haar heen ging.
De huid van de vrouw was glad, maar bijna doorzichtig, en haar perfect gevormde lippen hadden een groene teint. Haar lange, dikke, zwarte haar was versierd met eikels en mos, en haar bruine ogen pasten perfect bij haar lange bruine jurk. Ze was prachtig om te zien, dacht Ceres, en ze was even betoverd.
Ceres knipperde verbijsterd met haar ogen, en wist zeker dat ze deze vrouw nog nooit had ontmoet.
“Hoe kent u mij?”
Haar ogen ontmoetten die van de vrouw toen ze dichterbij kwam, en Ceres bemerkte dat de vrouw dat de vrouw sterk naar mirre rook.
“Ader van de sterren,” sprak ze in een griezelige stem.
Toen de vrouw haar arm in een gracieus gebaar optilde, zag Ceres een gebrandmerkte triquetra aan de binnenkant van haar pols. Een heks. Gebaseerd op de geur van de goden, misschien een waarzegster.
De vrouw liet het roségouden haar van Ceres door haar vingers glijden en rook eraan.
“Je bent geen vreemde voor het zwaard,” zei ze. “Je bent geen vreemde voor de troon. Je lotsbestemming is groot. De verandering zal groot zijn.”
Ineens draaide de vrouw zich om. Ze haastte zich weg en verdween achter haar kraampje, en Ceres bleef verdoofd achter. De woorden van de vrouw penetreerden haar ziel. Ze had het gevoel dat het meer was geweest dan slechts een observatie; het was een voorspelling. Groot. Verandering. Troon. Lotsbestemming. Dit waren woorden waar ze zich nog nooit mee geassocieerd had.
Had ze de waarheid gesproken? Of waren het slechts de woorden van een gestoorde vrouw?
Ceres keek om en zag dat Sartes een mandje met eten vasthield, zijn mond al volgepropt met meer dan genoeg brood. Hij strekte het mandje naar haar uit. Ze zag het gebakken voedsel, fruit, groenten, en het was bijna genoeg om haar vastberadenheid te breken. Normaal gesproken zou ze het verslonden hebben.
Maar nu had ze om de één of andere reden haar eetlust verloren.
Er lag een toekomst voor haar.
Een lotsbestemming.
*
De wandeling naar huis duurde bijna een uur langer dan normaal, en ze hadden de hele weg zwijgend gelopen, elk verloren in hun eigen gedachten. Ceres kon zich alleen maar afvragen wat de mensen van wie ze het meest hield over haar dachten. Ze wist nauwelijks wat ze over zichzelf moest denken.
Ze keek op en zag haar bescheiden huis, en was verrast dat ze het had gehaald met haar pijnlijke hoofd en rug.
De anderen waren eerder al de andere kant op gegaan om een klus voor haar vader te doen, en Ceres stapte alleen over de krakende drempel. Ze zette zich schrap en hoopte dat ze haar moeder niet tegen zou komen.
Het leek of ze een oven binnenliep. Ze pakte een klein flesje ontsmettende alcohol dat haar moeder onder haar bed bewaarde en trok de kurk eraf, voorzichtig om niet zo veel te gebruiken dat het opgemerkt zou worden. Ze zette zich schrap, trok haar shirt open en goot het over haar rug.
Ceres schreeuwde het uit van de pijn. Ze balde haar vuist en leunde met haar hoofd tegen de muur. De klauwen van de omnicat voelden als duizend messteken. Het voelde alsof deze wond nooit zou genezen.
De deur sloeg open en Ceres kromp ineen. Ze was opgelucht toen ze zag dat het Sartes maar was.
“Vader wil je zien, Ceres,” zei hij.
Ceres zag dat zijn ogen wat rood waren.
“Hoe gaat het met je arm?” vroeg ze, in de veronderstelling dat het pijn deed.
“Het is niet gebroken. Alleen gekneusd.” Hij liep naar haar toe en er verscheen een ernstige blik in zijn ogen. “Bedankt dat je me hebt gered vandaag.”
Ze glimlachte naar hem. “Had ik iets anders kunnen doen?” zei ze.
Hij glimlachte.
“Ga naar vader,” zei hij. “Ik zal je jurk en de doek verbranden.”
Ze wist niet hoe ze aan haar moeder moest uitleggen waarom haar jurk ineens verdwenen was, maar het afdankertje moest zeker verbrand worden. Als haar moeder de jurk in deze staat zou vinden—onder het bloed en vol met gaten—dan zou ze niet kunnen voorspellen hoe zwaar haar straf zou zijn.
Ceres vertrok en liep over het pad van vertrapt gras naar de schuur achter het huis. Er stond nog maar één boom op hun bescheiden stukje grond—de andere bomen waren tot haardhout gehakt om het huis tijdens de koude winternachten te verwarmen—en de takken hingen als een beschermende energie over het huis. Elke keer dat Ceres de boom zag, deed hij haar denken aan haar grootmoeder, die het jaar voor de laatste was overleden. Haar grootmoeder was degene die de boom had geplant toen ze nog een kind was. Op een bepaalde manier was het haar tempel. En ook die van haar vader. Als het leven hen even teveel werd, dan gingen ze onder de sterren liggen en openden ze hun harten tegen Nana alsof ze nog leefde.
Читать дальше