Hem daar beneden zien zitten was meer dan Ceres kon verdragen. Zonder na te denken greep ze Nesos’ zwaard en sprong over de reling de kuil in. Ze belandde vlak voor haar jongere broertje.
“Ceres!” schreeuwde Rexus.
Ze wiep een blik omhoog en zag hoe Rexus en Nesos door wachters werden weggesleurd voor ze haar achterna konden gaan.
Ceres stond in de kuil, overspoeld door een onwerkelijk gevoel. Hier stond ze dan, bij de vechters in de arena. Ze wilde Sartes hier weghalen, maar er was geen tijd meer. Dus ging ze voor hem staan, vastberaden om hem te beschermen. De omnicat brulde naar haar. Hij hurkte laag en fixeerde zijn gele ogen op Ceres. Ze kon het gevaar voelen.
Ze greep Nesos’ zwaard met beide handen vast en klemde haar vingers stevig om het heft heen.
“Rennen, meisje!” schreeuwde Brennius.
Maar het was al te laat. De omnicat stormde op haar af en was nog maar een paar meter bij haar vandaan. Ze ging dichter bij Sartes staan, en vlak voordat hij kon aanvallen, kwam Brennius vanaf de zijkant en sneed hij het oor van het beest af.
De omnicat ging op zijn achterpoten staan en brulde. Hij klauwde een stuk uit de muur achter Ceres terwijl het paarse bloed zijn vacht doordrenkte.
De menigte brulde.
De tweede krijgsheer naderde, maar voor hij het beest iets kon aandoen had de omnicat zijn keel al opengehaald met zijn klauwen. De krijger klemde zijn handen om zijn nek heen en zakte op de grond in elkaar. Het bloed sijpelde tussen zijn vingers door.
Het publiek begon te juichen, hongerig naar bloed.
De omnicat gromde en gaf Ceres zo’n harde klap dat ze door de lucht vloog, waarna ze op de grond terecht kwam. Bij de impact kletterde het zwaard uit haar handen, en het landde een eindje bij haar vandaan.
Ceres lag daar, en haar longen weigerden open te gaan. Snakkend naar adem en met een draaiend hoofd probeerde ze op handen en knieën te gaan zitten, maar ze viel al snel weer.
Terwijl ze ademloos op de grond lag, haar gezicht tegen het ruwe zand gedrukt, zag ze de omnicat op Sartes af gaan. Bij het zien van haar broertje in zo’n weerloze toestand, voelde ze een vuur in zich opwellen. Ze dwong zichzelf om adem te halen en met een complete helderheid stelde ze vast wat ze moest doen om haar broertje te redden.
Energie stroomde als een vloedgolf door haar heen en gaf haar een onmiddellijk kracht. Ze krabbelde overeind, pakte het zwaard op, en stormde zo snel op het beest af dat ze er van overtuigd was dat ze vloog.
Het beest was drie meter bij haar vandaan nu. Twee. Eén.
Ceres zette haar tanden op elkaar en zwaaide zichzelf op de rug van het beest. Ze begroef haar volhardende vingers in zijn borstelige vacht, wanhopig om zijn aandacht van haar broertje af te leiden.
De omnicat ging op zijn achterpoten staan en schudde met zijn bovenlichaam, waardoor Ceres heen en weer werd geslingerd. Maar haar ijzeren greep en haar vastberadenheid waren sterker dan de pogingen van het dier om haar af te werpen.
Toen het beest weer op vier poten terecht kwam, greep Ceres haar kans. Ze hief haar zwaard hoog in de lucht en stak het beest in zijn nek.
Het beest krijste en ging weer op zijn achterpoten staan. De menigte werd gek.
Het beest haalde naar achteren uit met zijn klauwen en boorde ze door Ceres’ rug. De klauwen voelden als dolken in haar vlees, en Ceres schreeuwde het uit van de pijn. De omnicat greep haar vast en smeet haar tegen een muur aan. Ze kwam een paar meter bij Sartes vandaan op de grond terecht.
“Ceres!” riep Sartes.
Met suizende oren ging Ceres rechtop zitten. De achterkant van haar hoofd bonkte, en ze voelde een warme vloeistof over haar nek stromen. Er was geen tijd om te kijken hoe ernstig de wond was. De omnicat viel haar weer aan.
Terwijl het beest op haar afrende, besefte Ceres dat ze weerloos was. Zonder na te denken hief ze instinctief haar hand, en strekte hem voor zich uit. Het was het laatste dat ze dacht dat ze zou zien.
Op het moment dat de omnicat haar besprong, kreeg Ceres het gevoel of er een bal van vuur in haar borstkas ontbrandde, en ineens voelde ze een bal van energie uit haar hand schieten.
Midden in de lucht werd het beest ineens slap.
De omnicat viel, gleed over de grond, en kwam boven op haar benen tot stilstand. Half verwachtend dat het beest weer tot leven zou komen om haar af te maken, hield Ceres haar adem in.
Maar het beest bewoog niet meer.
Verbijsterd staarde Ceres naar haar handpalm. Het publiek kon nooit gezien hebben wat er gebeurd was, en dachten waarschijnlijk dat het beest was gestorven omdat ze hem eerder met haar zwaard had gestoken. Maar zij wist wel beter. Er was één of andere mysterieuze kracht uit haar hand gekomen die het beest in een oogwenk had gedood. Wat voor kracht was het/ Ze had nog nooit zoiets meegemaakt, en ze wist niet wat ze ervan moest maken.
Wie was ze om die kracht te hebben?
Bang liet ze haar hand op de grond vallen.
Aarzelend keek ze op, en ze zag dat het doodstil was geworden in het stadion. En ze kon zich slechts één ding afvragen. Hadden zij het ook gezien?
Voor een seconde die eeuwig leek te duren, voelde Ceres alle ogen op haar branden. Ze zat daar, verdoofd door pijn en ongeloof. Meer dan voor de repercussies die haar te wachten stonden, vreesde ze voor de bovennatuurlijke kracht die in haar school, de kracht die de omnicat had gedood. Meer dan voor de mensen waar ze door omgeven werd, vreesde ze voor de confrontatie met zichzelf—een zelf die ze niet langer kende.
Ineens begon de menigte, die stil was geweest van verbijstering, luid te juichen. Het duurde even voor het tot haar doordrong dat ze voor haar juichten.
Er sneed een stem door het lawaai.
“Ceres!” schreeuwde Sartes naast haar. “Ben je in orde?”
Ze draaide zich om naar haar broertje, die ook nog steeds op de grond van het Stadion lag, en deed haar mond open. Maar er kwam niets uit. Ze was buiten adem en ze voelde zich versuft. Had hij gezien wat er echt was gebeurd? Ze wist niet hoe het met de rest zat, maar op deze afstand zou het een wonder zijn geweest als hij het niet had gezien.
Ceres hoorde voetstappen, en ineens werd ze door twee sterke handen omhoog getrokken.
“Wegwezen!” gromde Brennius, en hij duwde haar richting de open poort aan haar linkerkant.
De verwondingen op haar rug deden pijn, maar ze dwong zichzelf om terug te keren naar de realiteit. Ze greep Sartes en trok hem ook overeind. Samen renden ze naar de uitgang in een poging aan het gejuich van het publiek te ontsnappen.
Al snel betraden ze de donkere, benauwde tunnel. Binnen zag Ceres tientallen krijgsheren, wachtend op hun beurt voor een paar seconden van glorie in de arena. Sommigen zaten in een diepe meditatie op de banken, anderen spanden hun armspieren terwijl ze heen en weer liepen, weer anderen bereidden hun wapens voor op het onvermijdelijke bloedbad. Maar ze hadden het gevecht gezien, en staarden haar vol nieuwsgierigheid aan.
Ceres haastte zich door de ondergrondse gangen. De fakkels aan de muren hulden de grijze bakstenen in een warme gloed, en verlichtten allerlei wapens die tegen de muren aan stonden. Ze probeerde de pijn in haar rug te negeren, maar met elke stap die ze nam schaafde het ruwe materiaal van haar kleding tegen de open wonden. De klauwen van de omnicat hadden als dolken gevoeld toen ze naar binnen gingen, maar de pijn leek nu bijna nog erger.
“Je rug bloed,” zei Sartes met een trillende stem.
“Komt wel goed. We moeten Nesos en Rexus zien te vinden. Hoe gaat het met je arm?”
“Het doet pijn.”
Toen ze de uitgang bereikten zwaaide de deur open, en stonden er ineens twee soldaten van het Rijk voor hen.
“Sartes!”
Voor ze kon reageren werd haar broertje door één van de soldaten vastgegrepen, en zij door de ander. Verzet was zinloos. De soldaat slingerde haar over zijn schouder alsof ze een zak graan was en droeg haar weg. Vrezend dat ze zojuist was gearresteerd, begon ze hem op zijn rug te slaan. Maar het had geen zin.
Читать дальше