Rupert fronste, en de Weduwe kon zien dat haar zoon het niet begreep.
“Waarom zou hij? Hij ging niet met haar trouwen, en bovendien ben ik de oudste. Ik zal op een dag zijn koning zijn. Hij zou niets durven doen.”
“Als je dat denkt,” zei de Weduwe, “dan ken je je broer niet.”
Rupert lachte. “En u kent hem wel, Moeder? Proberen hem uit te huwelijken? Geen wonder dat hij ervandoor is gegaan.”
De Weduwe slikte haar woede weg.
“Ja, Sebastian is ervandoor gegaan. Ik moet toegeven dat ik zijn gevoelens voor haar heb onderschat, maar dat is op te lossen.”
“Door met het meisje af te rekenen,” zei Rupert.
De Weduwe knikte. “Ik neem aan dat jij dat zelf wilt doen?”
“Absoluut.”
Rupert aarzelde geen seconde. Dat had de Weduwe ook niet verwacht. Wat goed was, want een machthebber moest niet terugdeinzen voor wat nodig was, al betwijfelde ze dat Rupert op die manier dacht. Hij wilde alleen maar wraak voor de blauwe plekken die zijn anders zo perfecte gezicht ontsierden.
“Laten we één ding duidelijk stellen,” zei de Weduwe. “Het is noodzakelijk dat het meisje sterft, zowel omdat ze je heeft beledigd, als vanwege de… moeilijkheden die ze zou kunnen veroorzaken.”
“Met een huwelijk tussen Sebastian en een ongeschikt meisje,” zei Rupert. “Zo beschamend.”
De Weduwe plukte een van de bloemen die in de buurt groeiden. “Schande is als deze roos. Ze ziet er onschuldig uit. Ze trekt de aandacht. Maar ze heeft nog altijd scherpe doorns. Onze macht is een illusie die in leven wordt gehouden omdat mensen op ons vertrouwen. Als ze ons te schande zetten, kan dat vertrouwen beschaamd worden.” Ze sloot haar hand en negeerde de pijn terwijl ze de roos fijnkneep. “Hier moet iets aan gedaan worden, wat het ook kost.”
Het was beter om Rupert te laten denken dat dit ging om het behouden van prestige. Het was beter dan het erkennen van het gevaar dat het meisje vertegenwoordigde. Toen de Weduwe erachter was gekomen wie ze echt was… wel, de wereld was veranderd in een vlijmscherp iets, glimmend, vol scherpe randen. Ze kon het risico niet nemen.
“Ik zal haar doden,” zei Rupert.
“In stilte,” voegde de Weduwe toe. “Zonder ophef. Ik wil niet dat je meer problemen creëert dan je oplost.”
“Ik handel het wel af,” hield Rupert vol.
De Weduwe was daar niet van overtuigd, maar ze had nog andere pionnen in het spel als het op het meisje aankwam. De truc was om alleen degenen te gebruiken die hun eigen redenen hadden om te handelen. Als ze bevelen zou geven, zou ze alleen maar aandacht trekken naar het feit dat het meisje de moeite waard was om in de gaten te houden.
Het had haar veel wilskracht gekost om niet te reageren toen ze Sophia de eerste keer had gezien, bij het diner. Om niet te verraden wat ze voelde toen ze haar zag, en toen Sebastian had aangekondigd dat hij van plan was met haar te trouwen.
Het feit dat haar jongste zoon achter haar aan was gegaan maakte alles nog gecompliceerder. Sebastian was altijd de meest stabiele geweest, de slimste, de meest plichtsgetrouwe. Hij zou in veel opzichten een betere koning zijn dan zijn broer, maar dat was niet hoe deze dingen werkten. Nee, zijn rol was om een rustig leven te leiden en te doen wat hem gezegd werd, niet om ervandoor te gaan.
“Ik heb nog een taak voor je,” zei de Weduwe. Ze liep over een pad door de tuin en dwong Rupert haar te volgen, zoals een hond zijn baasje volgde. In dit geval was Rupert een jachthond, en stond zij op het punt om de geur te verstrekken.
“Heeft u me nog niet genoeg taken gegeven, Moeder?” wilde hij weten. Sebastian zou haar niet tegengesproken hebben. Had haar nooit tegengesproken, behalve bij de ene kwestie die belangrijk was.
“Je veroorzaakt minder problemen als je het druk hebt,” zei de Weduwe. “Hoe dan ook, dit is een taak waar je aanwezigheid daadwerkelijk van pas zou kunnen komen. Je broer heeft uit emotie gehandeld door er zo vandoor te gaan. Ik denk dat zijn broer nodig is om hem terug te halen.”
Rupert lachte. “Afgaande op de manier waarop hij is vertrokken, zal er een heel regiment nodig zijn om hem terug te halen.”
“Dan neem je een regiment mee,” beet de Weduwe hem te. “Je hebt een commissie, maak daar dan ook gebruik van. Neem de mannen mee die je nodig hebt. Zoek je broer en breng hem terug.”
“Ongeschonden, neem ik aan?” zei Rupert.
De Weduwe kneep haar ogen samen. “Hij is je broer, Rupert. Je doet hem niet meer pijn dan noodzakelijk is om hem veilig thuis te krijgen.”
Rupert keek naar beneden. “Natuurlijk, Moeder. Terwijl ik hiermee bezig ben, wilt u dan iets voor mij doen?”
Er was iets aan de manier waarop hij het zei dat zorgde dat de Weduwe zich naar hem omdraaide.
“Wat had je in gedachten?” vroeg ze.
Rupert glimlachte en gebaarde. Aan de andere kant van de tuin verscheen een figuur in de gewaden van een priester. Toen hij dichterbij kwam, boog hij diep.
“Moeder,” zei Rupert, “mag ik u voorstellen aan Kirkus, tweede secretaris van de hogepriesteres van de Gemaskerde Godin?”
“Justina heeft u gestuurd?” vroeg de Weduwe. Ze gebruikte bewust de naam van de hogepriesteres, om de man te herinneren aan het gezelschap waar hij zich in bevond.
“Nee, uwe majesteit,” zei de priester, “maar er is een uiterst belangrijke kwestie waarvan ik u op de hoogte moet stellen.”
De Weduwe zuchtte. In haar ervaring hadden uiterst belangrijke kwesties voor priesters meestal te maken met donaties aan hun tempels, de noodzaak tot het straffen van de zondaars die schijnbaar niet voldoende waren getroffen door de wet, of verzoeken om in te mogen grijpen in de affaires van hun broeders aan de andere kant van het Meswater. Justina had geleerd om dergelijke affaires voor zichzelf te houden, maar haar onderdanen hadden vaak de neiging om haar als in zwarte gewaden gehulde wespen te irriteren.
“Het is het waard om hem aan te horen, Moeder,” zei Rupert. “Hij heeft wat tijd aan het hof doorgebracht, op zoek naar mensen die hem willen aanhoren. U vroeg waar ik eerder was? Wel, ik was op zoek naar Kirkus, omdat ik dacht dat u wel zou willen weten wat hij te melden heeft.”
Dat was genoeg om de aandacht van de Weduwe te trekken. Iedereen die erin slaagde om Ruperts aandacht af te leiden van de vrouwen aan het hof was haar aandacht waardig, in ieder geval even.
“Goed dan,” zei ze. “Wat heeft u te zeggen, tweede secretaris?”
“Uwe Majesteit,” zei de man, “er is een meedogenloze aanslag op het Huis der Onbekenden gepleegd, en daarmee ook op de rechten van het priesterschap.”
“U dacht dat ik dit nog niet wist?” kaatste de Weduwe terug. Ze wierp een blik op Rupert. “Je dacht dat dit nieuws was?”
“Uwe majesteit,” hield de priester vol, “het meisje dat onze nonnen heeft gedood is niet gestraft. Ze heeft asiel gevonden bij een van de Vrije Compagnieën. Bij de mannen van Heer Cranston.”
De naam trok de aandacht van de Weduwe.
“Het regiment van Heer Cranston is in het verleden zeer behulpzaam geweest,” zei de Weduwe. “Ze hebben geholpen om een strijdmacht van plunderaars te verslaan.”
“Is dat—”
“Stil,” snauwde de Weduwe. “Als Justina dit echt een probleem vindt, had ze er wel iets over gezegd. Rupert, waarom kom je hiermee bij mij?”
Haar zoon glimlachte als een haai. “Omdat ik vragen heb gesteld, Moeder. Ik ben zeer grondig geweest.”
Wat betekende dat hij iemand had gemarteld. Was dat echt de enige manier waarop haar zoon dingen gedaan kon krijgen?
“Ik geloof dat het meisje dat Kirkus zoekt het zusje van Sophia is,” zei Rupert. “Een aantal overlevenden uit het Huis der Onbekenden spraken over twee zusjes, waarvan de ene de ander probeerde te redden.”
Twee zusjes. De Weduwe slikte. Ja, dat was logisch, nietwaar? Zij had zich op Sophia geconcentreerd, maar als het andere meisje ook nog leefde, kon zij net zo goed een bedreiging vormen. Misschien wel meer, afgaande op de schade die ze tot dusver had aangericht.
Читать дальше