Guido Gezelle - Kerkhofblommen
Здесь есть возможность читать онлайн «Guido Gezelle - Kerkhofblommen» — ознакомительный отрывок электронной книги совершенно бесплатно, а после прочтения отрывка купить полную версию. В некоторых случаях можно слушать аудио, скачать через торрент в формате fb2 и присутствует краткое содержание. Жанр: Поэзия, foreign_antique, foreign_prose, foreign_poetry, на нидерландском языке. Описание произведения, (предисловие) а так же отзывы посетителей доступны на портале библиотеки ЛибКат.
- Название:Kerkhofblommen
- Автор:
- Жанр:
- Год:неизвестен
- ISBN:нет данных
- Рейтинг книги:5 / 5. Голосов: 1
-
Избранное:Добавить в избранное
- Отзывы:
-
Ваша оценка:
- 100
- 1
- 2
- 3
- 4
- 5
Kerkhofblommen: краткое содержание, описание и аннотация
Предлагаем к чтению аннотацию, описание, краткое содержание или предисловие (зависит от того, что написал сам автор книги «Kerkhofblommen»). Если вы не нашли необходимую информацию о книге — напишите в комментариях, мы постараемся отыскать её.
Kerkhofblommen — читать онлайн ознакомительный отрывок
Ниже представлен текст книги, разбитый по страницам. Система сохранения места последней прочитанной страницы, позволяет с удобством читать онлайн бесплатно книгу «Kerkhofblommen», без необходимости каждый раз заново искать на чём Вы остановились. Поставьте закладку, и сможете в любой момент перейти на страницу, на которой закончили чтение.
Интервал:
Закладка:
Elk ende een had nu zijne plaatse gevonden in de eenvoudige landsprocessie, die ging aanvang nemen. Noch en waren die kruisen van gevlochten strooi vergeten gebleven, die, aan de hoeken van de straten geleid, als eenzame bedelaars den voorbijgaanden Christene eenen "Weest-gegroet" voor aalmoese vragen. Het lijk wierd opgeheven en met de voeten kerkwaards gekeerd. Moeder kwam te voorschijn, met de overige familie, om ons te volgen; en Vader zelve, den oogenblik dat het op scheiden aankwam, stond op, vestte zijne oogen staal op de kiste, wenschte zijn kind, en ons te zamen, den alderdroevigsten "God beware u!" en traagzaam gingen wij van 't hof, onder de geleide van 't bloeiende, blinkende Kruis.
Dood was de stam van dat Kruise, en de winden
voerden – waar wete ik? – het speelzieke loof!
Nooit en zou 't blommen noch blâren meer vinden,
nooit… als in d'handen van 't Christen Geloof.
Dood was het hout, maar het hout moest herleven:
dood was zijn blad, maar de Christene Maagd
had het een blad en een blomme gegeven,
schoonder en beter als 't levende draagt:
blom van Geloof, dat de ziel niet kan sterven,
blomme van Hope op een zalig Hierna;
blomme van Liefde, die alles kan derven,
laat g'haar het Kruis, want het Kruis is gena!
Kruis, waar een God heeft zijn bloed op vergoten;
kruis, dat den Satan hebt nedergeveld;
kruis, dat de poorten der helle gesloten,
kruis, dat den Hemel hebt opengesteld;
kruis, te vergeefs door de wereld bevochten,
treedt, als banniere, de lijkvaart in top:
kruis met de Christene blommen bevlochten,
treedt als banniere, wij volgen U op!
Is 't door de Helle, – de Helle zal zwichten;
is 't door het sterven, – het sterven is niet ,
niet als het uitgaan der slapende lichten,
als weêr de zonne in de renbane schiet;
is 't door die zee van kleenhertige slaven,
die maar het Kruis aan 't gewicht ervan kent;
is 't door de zee van de wereld, de haven
staat en verwacht ons, met 't Kruise eromtrent:
is 't door de blijdschap of is 't door het lijden,
valt er te worstelen, valt er te strijden,
hem zal de borstweer, het Kruise, bevrijden
tegen 't geweld en het storremgebons:
hem, die voor 't Kruise, en met 't Kruise, kan sterven,
hem die, om 't Kruis noch den zege te derven,
terdt op de dood en, bij duizende werven,
gallemt: Hosannah! de zege is aan ons!
Zoo gingen wij al peizen langs den weg, en geen een van ons die een woord sprak.
Onze oogen en ons herte baadden ondertusschen zoo diepe en zoo verre in de oneindige zee van blauwe lucht, rustende op een andere zee van groene, wentelende, wijd rondom ons strekkende koorenvelden. De zonne regende heure stralen over onze hoofden, in 't herte van 't schietende loof, in 't geweefsel van de uitkomende bladeren, in den schoot van den dankbaren grond. De blommekes langs de bane schoten uit hunnen slaap en wendden naar den Hemelkoning; het ronkende vliegske schreef zijne aangename krinkels in de lucht, de lachende beke liep lustig voorbij, al blinken onder 't striemende vlotgers; hagen en kanten schetterden van 't gevogelte; de kruidekes langs den weg zongen van de plunterende moschbiën; de leeuwerke schudde zijn vlerken uit, ging zitten preken op de locht; en de koekoet riep ons van verre zijn zoeten "goeden dag" toe. Vogelkes zagen wij langzaam omhoogeklimmen, al draaien rond malkaar; dan schoten zij weêr pijlrecht omleege, slingerden snel achtereen, door struiken en tronken voorbij, en zaten en scholden elkander, in twist om 't gevangene vliegske; terwijl verre van ons, de voorzanger in het hooglied aller vogelen, klagend het laatste gebed, den Amen zong en het slot van zijne heerlijke morgengetijden. Kruiden, grachten, weiden en 't vochtige land, alles doomde en ging op, lijk wierook, in 't vier van de bakelende zonne. De landslieden, die ons zagen voorbij gaan, prentten hunnen knie in den zachten vloer van den wijden tempel des Heelals, en, "in den naam des Vaders ende des Zoons ende des Heiligen Geest," wenschten zij den voorbijganger goê reize naar den Hemel, zeggende: "God gelieve zijne ziele in de eeuwige ruste! Amen."
Ha! verre van ons, en gelukkiglijk uit onze oogen, lag er misschien toen zoo menige stede op haren uitgestrekten steenhoop te zuchten en te zweeten, in 't gebroel van de onverkoelde zonne; menige hooveerdige schouwe spoog zwarten rook in 't aangezichte des Hemels; menig werkhuis daverde onder 't ontzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier gebonden liggenden dampreus, en joelde jammerlijk van de schijverende raders, van de ronkende riemen, van 't gezwets, 't geklaag, 't gelach, 't gefluit en, – God vergeve 't hun! – 't gevloek van eenen samenroerenden menschenzwerm; menig krielende strate liep vol lieden, wier oogen, wier tale, wier asem, wier haastige stap, niet anders uit en gaf als zucht, brandende zucht, naar één ontbrekende dingen, nooit achterhaald of seffens weêr ontvlogen; en wij, – lof zij den Heere! – wij wandelden sprakeloos in 't midden van ons dierbaar Vlanderland; wij, van niemand gezien of 't en is van God en zijne eigene landslieden, – ja, lof zij den Heere! – wij waren en wij voelden ons gelukkig, en we droegen een lijk!
De strate ging al winkelen voort en wij gingen al wenden erachter, schouwende al te mets naar eene sterre, die, daar vóór ons, boven op den Kerktorre zat te blinken, gedoken nu en dan in de kruine der boomen.
Zoo pinkelt de avondsterre, als de koeien naar huis komen, traagzaam en dragende aan de melk die zij, gewonnen in de weiden, goedaardig en vreedzaam naar huis brengen.
Wij gingen en volgden den hane op den kloktorre, die nu op onze rechtere hand, dan op onze slinkere hand uitkeek, langs den keerenden Kerkwegel.
Eindelijk, na dikwijls verpalmd te hebben aan het stoffelijk overblijfsel, dat, hoe licht het ook was, toch hoe langer hoe lastiger wierd om dragen, gerochten wij op de bree strate, en dáár, na een kleene stonde rustens, rees hij tot boven onze hoofden, hij, die de nederigste van ons allen was, en wij droegen hem op onze schouders. Zijn blanke en blauwe lijkgewaad sloeg in den wind, en waaide rondom ons, gelijk weleer zijne goede voorbeelden; of godvruchtig hielden wij 't in onze handen, ten teeken van getrouwigheid, en verborgen er onze tranen in, gebogen als wij gingen onder den heiligen last.
Stap… stap… stap… klonk het over de steenen, als een droevige maatslag, bij 't snikken en 't weenen van de Moeder, het helder geklaag van de Zuster en het pijnlijk gesteen van den Broeder des overledenen, den Broeder, die meer gedwongen en in grooteren nood als wij, weenen moest en niet weenen en kon.
Ha! beklaagt hem, die, gevangen
onder 't wegen van de pijn,
niet en kan een trane ontvangen,
weenen, en gelukkig zijn!
Arme schaap! hoe moeste het lijden
door end door zijn herte snijden,
daar het bleef in barensnood
van de bittere vrucht ontbloot!
Tranen, bittere vrucht des lijdens,
drank die 't smachtend herte laaft,
zaad der vreugde en des verblijdens,
die God zelf verlichting gaaft,
toen, nog wandlende op de wereld,
menige uur Zijne oog, bepereld
en met droefheid overlaân,
stortte aanbiddelijk getraan!
Tranen, als bij noenenstonde
't blusschend reegnen op het kruid,
als de perel die de wonde
des gekwetsten pijnbooms sluit,
als de frissche navondkoelte
na de heete zomerzoelte,
zoeter, ja, veel zoeter nog,
zijt gij, bittere tranen, toch!
Dank! o Heere, die me ontsloten
hebt de bronne van 't getraan,
die 'k zoo dikwijls heb genoten,
dikwijls er naar toe gegaan:
moet het krimpend alsemdrinken
vriend of vijand mij nog schinken,
geeft mij, anders niet, o neen,
geeft mij dat ik tranen ween'!
Интервал:
Закладка:
Похожие книги на «Kerkhofblommen»
Представляем Вашему вниманию похожие книги на «Kerkhofblommen» списком для выбора. Мы отобрали схожую по названию и смыслу литературу в надежде предоставить читателям больше вариантов отыскать новые, интересные, ещё непрочитанные произведения.
Обсуждение, отзывы о книге «Kerkhofblommen» и просто собственные мнения читателей. Оставьте ваши комментарии, напишите, что Вы думаете о произведении, его смысле или главных героях. Укажите что конкретно понравилось, а что нет, и почему Вы так считаете.