Meerdere McCloud soldaten sprongen van hun paarden af en omsingelden Thor.
Thor besefte dat hij op de verkeerde plek was; hij zou er alles voor geven om nu weer op zijn paard te zitten. Terwijl hij op de grond lag, zijn hoofd gillend van de pijn, zag hij vanuit zijn ooghoeken de andere leden van de Krijgsmacht vechten. Ze begonnen terrein te verliezen. Eén van de jongens die hij niet kende gilde, en Thor zag hoe een zwaard zijn borstkas doorboorde. Hij viel voorover, dood.
Een andere jongen van de Krijgsmacht schoot hem te hulp, en doodde zijn aanvaller met een speer—maar werd tegelijkertijd van achteren aangevallen door een McCloud, die een dolk in zijn nek dreef. De jongen schreeuwde en viel van zijn paard, dood.
Thor keek op en zag een half dozijn soldaten op zich afkomen. Eén van hen hief zijn zwaard en mikte op zijn gezicht, en Thor wist de aanval met zijn schild te blokkeren. Maar een ander trapte Thors schild uit zijn handen.
Een derde aanvaller stapte op Thors pols en duwde hem tegen de grond.
Een vierde aanvaller stapte naar voren en hief een speer. Hij stond op het punt hem door Thors borst heen te boren.
Thor hoorde een luid gegrom, en Krohn besprong de soldaat, waarna hij hem tegen de grond aanduwde. Op dat moment verscheen er een soldaat met een knuppel, die Krohn zo hard sloeg dat hij jankend op zijn rug terecht kwam.
Een andere soldaat stapte naar voren. Hij boog zich over Thor heen en hief een drietand. Hij keek dreigend naar beneden, en dit keer was er niemand om hem te stoppen. Hij mikte recht op Thors gezicht, en terwijl Thor daar lag, tegen de grond gedrukt, hulpeloos, wist hij dat hij er geweest was.
Gwen knielde aan Godfreys zijde in het claustrofobische huisje. Ze kon het niet meer verdragen. Ze had urenlang haar broers gekreun aangehoord, en ze had gezien hoe Illepra’s gezicht steeds somberder werd, en het leek vrijwel zeker dat hij zou sterven. Ze voelde zich zo hulpeloos door daar zo te zitten. Ze had het gevoel dat ze iets moest doen. Wat dan ook.
Ze voelde zich geteisterd door schuld en bezorgdheid om Godfrey—maar ook om Thor. Ze kon het beeld dat hij de strijd tegemoet reed, recht in een hinderlaag van Gareth, maar niet uit haar hoofd zetten. Ze had het gevoel dat ze Thor ook moest helpen. Ze werd gek van het nietsdoen.
Gwen stond ineens op, en ze haastte zich door het huisje.
“Waar ga je heen?” vroeg Illepra, haar stem schor van het zingen van alle psalmen.
Gwen draaide zich naar haar om.
“Ik kom terug,” zei ze. “Er is iets dat ik moet proberen.”
Ze opende de deur en haastte zich naar buiten, en knipperde met haar ogen: de lucht was vergeven met rode en paarse tinten, en de tweede zon hing als een groene bal aan de horizon. Akorth en Fulton stonden nog steeds op wacht—ze sprongen op en keken haar bezorgd aan toen ze haar zagen.
“Zal hij het overleven?” vroeg Akorth.
“Ik weet het niet,” zei Gwen. “Blijf hier. Houdt de wacht.”
“En waar gaat u heen?” vroeg Fulton.
Ze had een idee gekregen terwijl ze in de bloedrode hemel keek en het mystieke gevoel in de lucht voelde. Er was één man die haar wellicht zou kunnen helpen.
Argon.
Als er een persoon was die Gwen kon vertrouwen, een persoon die om Thor gaf en die altijd trouw was geweest aan haar vader, een persoon die de kracht had om haar op de één of andere manier te helpen, dan was hij het.
“Ik moet een speciaal iemand opzoeken,” zei ze.
Ze draaide zich om en rende over de velden, op weg naar Argons huisje.
Ze was er al jaren niet meer geweest, maar ze herinnerde zich dat hij hoog op de verlaten, ruige vlaktes woonde. Ze rende en rende en stopte niet om op adem te komen terwijl het terrein steeds ruiger werd. Het gras maakte plaats voor steentjes, en toen voor rotsen. Het werd steeds winderiger, en het landschap werd griezeliger; ze had het gevoel alsof ze op het oppervlak van een ster liep.
Eindelijk bereikte ze Argons huisje. Buiten adem bonkte ze op de deur. Er was nergens een deurknop te bekennen, maar ze wist dat dit zijn huis was.
“Argon!” schreeuwde ze. “Ik ben het! MacGils dochter! Laat me naar binnen! Ik beveel het u!”
Ze bonsde en bonsde, maar het enige antwoord was het huilen van de wind.
Ze barstte in tranen uit, compleet uitgeput. Ze had zich nog nooit zo hulpeloos gevoeld.
Ze voelde zich hol, alsof ze nergens meer heen kon.
Terwijl de zon onderging, en de bloedrode hemel plaats maakte voor de schemering, draaide Gwen zich om en begon de heuvel weer af te lopen. Ze veegde de tranen van haar gezicht en probeerde wanhopig te bedenken waar ze nu heen moest.
“Alstublieft, vader,” zei ze hardop, terwijl ze haar ogen sloot. “Geef me een teken. Laat me zien waar ik heen moet. Laat me zien wat ik moet doen. Laat alstublieft uw zoon niet sterven. Niet vandaag. En laat alstublieft Thor niet sterven. Als u van me houdt, geef me dan antwoord.”
Gwen liep verder in de oorverdovende stilte, luisterend naar de wind, terwijl ze ineens inspiratie kreeg.
Het meer. Het Meer van Verdriet.
Natuurlijk. Het meer was waar iedereen heen ging om te bidden voor iemand die dodelijk ziek was. Het was een ongerept, klein meer, in het midden van het Rode Woud, omgeven door torenhoge bomen die de hemel in reikten. Het werd beschouwd als een heilige plek.
Dank u vader, dat u me geantwoord heeft, dacht Gwen.
Ze voelde dat hij nu bij haar was, en ze begon te rennen, op weg naar het Rode Woud, naar het meer dat haar verdriet zou aanhoren.
*
Gwen knielde aan de rand van het Meer van Verdriet. Haar knieën rustten op de zachte bodem van dennennaalden die zich als een ring om het water heen uitstrekte, en ze keek uit over het stille meer, het kalmste water dat ze ooit had gezien, het meer dat de opkomende maan weerspiegelde. Het was een schitterende volle maan, en hoewel de tweede zon nog niet helemaal onder was, kwam de maan al op, waardoor de Ring werd gehuld in het licht van zowel de zonsondergang de maan. De zon en de maan reflecteerden tegenover elkaar in het meer, en ze voelde de heiligheid van dit tijdstip van de dag. Het was het venster tussen het einde van de ene dag en het begin van de andere, en op dit heilige tijdstip, op deze heilige plek, was alles mogelijk.
Gwen huilde en bad met alles dat ze had. De gebeurtenissen van de afgelopen dagen waren teveel voor haar, en ze liet alles gaan. Ze bad voor haar broer, en voor Thor. Ze kon de gedachte dat ze hen deze nacht beide zou verliezen niet verdragen. De gedachte dat ze niemand meer zou hebben behalve Gareth. De gedachte dat ze zou worden uitgeleverd aan één of andere barbaar. Ze voelde haar leven om zich heen ineenstorten, en ze had antwoorden nodig. En bovenal, hoop.
Er waren veel mensen in haar koninkrijk die baden tot de God van de Meren, of de God van de Bossen, of de God van de Bergen, of de God van de Wind—maar Gwen had nooit in hen geloofd. Zij was, net als Thor, één van de weinigen die ingingen tegen het geloof in haar koninkrijk en het radicale pad volgden van het geloven in slechts één God, slechts één entiteit die het hele universum controleerde. Tot deze God bad ze.
Alstublieft God, bad ze. Breng Thor naar me terug. Laat hem veilig terugkeren. Laat hem de hinderlaag ontsnappen. Laat alstublieft Godfrey leven. En bescherm alstublieft mij—laat me niet uitgehuwelijkt worden aan die wilde. Ik zal alles doen. Geef me een teken. Laat me zien wat u van me wilt.
Gwen bleef een lange tijd zitten. Ze hoorde niets anders dan het huilen van de wind, die door de eindeloos lange dennenbomen van het Rode Woud waaide; ze luisterde naar het zachte gekraak van de takken die boven haar hoofd heen en weer zwaaide, naar de naalden die in het water vielen.
“Wees voorzichtig met wat je wenst,” klonk een stem.
Читать дальше