Of toch niet?
Ze stapte uit bed en pakte haar dienstpistool dat op het dressoir lag, naast haar insigne en haar handtasje. Ze schoof zachtjes door de deuropening en liep de gang in. De gloed van de straatlantaarns die door de jaloezieën gefilterd de woonkamer flauwtjes verlichtten, onthulde een lege ruimte.
Ze stapte de kamer binnen, het pistool in haar hand, klaar om te schieten. Haar instinct vertelde haar dat er niemand was, maar ze voelde haar hart nog steeds in haar keel kloppen. Ze wist zeker dat ze de vloerplanken had horen kraken. Ze liep naar het bewuste gedeelte van de woonkamer, vlak voor de salontafel, en hoorde hoe het onder haar voeten kraakte.
Uit het niets kwam het beeld van Hailey Lizbrook bij haar op. Ze zag de lange striemen op de rug van de vrouw en de afdrukken in de modderige grond. Ze huiverde. Ze keek vol ongeloof naar het pistool in haar handen en probeerde zich de laatste keer te herinneren dat een zaak haar zo van slag had gebracht. Waar was ze in vredesnaam mee bezig? Had ze nou echt verwacht dat de moordenaar hier in haar woonkamer was geweest en haar had willen besluipen?
Geïrriteerd liep Mackenzie terug naar de slaapkamer. Ze plaatste het pistool stilletjes terug op het dressoir en ging naar haar kant van het bed.
Nog steeds een beetje bang en met de overblijfselen van haar droom nog steeds ronddolend in haar hoofd ging Mackenzie op bed liggen. Ze sloot haar ogen en probeerde weer te slapen.
Maar ze wist dat het moeilijk zou worden. Ze werd geplaagd, wist ze, door de levenden en de doden.
Mackenzie kon zich niet herinneren dat het ooit zo chaotisch was geweest op het bureau. Het eerste wat ze zag toen ze het gebouw binnentrad, was Nancy die door de gang naar iemands kantoor snelde. Ze had Nancy nog nooit zo snel zien bewegen. Ze zag de bezorgde blikken op de gezichten van de officieren die ze op weg naar de vergaderruimte passeerde.
Het leek erop dat het een bewogen ochtend zou worden. Er hing een voelbare spanning in de lucht die haar deed denken aan de zware, beklemmende atmosfeer vlak voor een zware zomerstorm.
Ze had zelf die spanning ook al gevoeld, nog voordat ze haar huis had verlaten. Om 7.30 uur had ze het eerste telefoontje ontvangen waarin haar was medegedeeld dat ze binnen enkele uren met de nieuwe informatie aan de slag zouden gaan. Terwijl ze had liggen slapen was gebleken dat de informatie die ze uit Kevin had kunnen lospeuteren veelbelovend was. Er was een arrestatiebevel uitgegeven en er werd een plan opgesteld.
Eén ding was echter al vastgesteld: Nelson wilde dat zij en Porter de verdachte binnen zouden brengen.
De tien minuten die ze op het bureau doorbracht waren hectisch. Terwijl ze een kopje koffie inschonk, blafte Nelson bevelen naar iedereen. Porter zat plechtig op een stoel aan de vergadertafel. Porter zag eruit als een pruilend kind dat alles deed om de aandacht te krijgen. Ze wist dat het feit dat dit nieuwe aanknopingspunt afkomstig was van een getuigenverhoor dat Mackenzie had afgenomen bij een jongen voor wie hij weinig tijd had gehad, aan hem moest vreten.
Mackenzie en Porter kregen de leiding en twee andere auto's zouden achter hen aan rijden om assistentie te verlenen indien dat nodig zou zijn. Het was de vierde keer in haar carrière dat ze de opdracht had gekregen om iemand op te pikken met een arrestatiebevel. De adrenalinestoot werd er niet minder om. Ondanks dat er een golf van energie door haar lichaam stroomde, bleef Mackenzie kalm en bedaard. Ze liep in alle rust en vol vertrouwen de vergaderzaal uit en begon het gevoel te krijgen dat dit nu haar zaak was, hoe graag Porter ook wilde dat het zijn zaak was.
Op weg naar buiten liep Nelson haar richting uit en nam haar zachtjes bij de arm.
“White, ik wil even met je praten, oké?”
Hij nam haar apart en nog voordat ze had kunnen antwoorden leidde hij haar naar de kopieerkamer. Hij keek samenzweerderig om zich heen om er zeker van te zijn dat niemand binnen gehoorafstand was. Toen hij zeker wist dat ze alleen waren, keek hij haar aan op een manier waardoor ze zich afvroeg of ze iets verkeerd had gedaan.
“Luister,” zei Nelson, “Porter kwam gisteravond naar me toe en vroeg of hij op een andere zaak kon worden gezet. Ik heb dat direct geweigerd. Ik heb hem ook gezegd dat het stom zou zijn om nu uit deze zaak te stappen. Weet jij waarom hij van deze zaak af wil?”
“Hij denkt dat ik gisteravond zijn gezag heb ondermijnt ,” zei Mackenzie. “Maar het was duidelijk dat de kinderen niet goed op hem reageerden en hij probeerde niet voldoende om ze te bereiken.”
"Oh, je hoeft het me niet uit te leggen,” zei Nelson. “Ik denk dat je het verdomd goed hebt gedaan met dat oudste kind. De jongen vertelde zelfs enkele van de andere jongens die kwamen opdagen - inclusief de jongens van de Sociale Dienst - dat hij je echt aardig vond. Ik wilde je alleen laten weten dat Porter vandaag in een rothumeur is. Laat me weten als hij je shit geeft. Maar ik denk niet dat hij dat zal doen. Hoewel hij geen grote fan van je is, heeft hij me wel verteld dat hij je ontzettend respecteert. Maar dat blijft tussen jou en mij. Begrepen?”
“Ja, mijnheer,” zei Mackenzie, verrast door de plotselinge steun en aanmoediging.
“Goed dan,” zei Nelson en gaf haar een zacht schouderklopje. “Ga nu onze verdachte halen.”
Met die informatie begaf Mackenzie zich naar de parkeerplaats. Porter zat al achter het stuur van hun auto. Terwijl ze zich naar de auto haastte, keek hij haar aan met een blik in zijn ogen waarin duidelijk Waarom duurde dat verdomme zo lang? kon worden gelezen. Op het moment dat ze de auto instapte, startte Porter de auto en nog voordat Mackenzie de kans kreeg het portier te sluiten, reden ze al de parkeerplaats af.
“Ik neem aan dat je vanmorgen het volledige rapport over onze verdachte hebt gelezen?” vroeg Porter terwijl hij de snelweg opdraaide. De twee andere auto's volgden, met daarin Nelson en vier andere officieren, om back-up te verlenen indien dat nodig zou zijn.
“Dat heb ik,” zei Mackenzie. “Clive Traylor, een eenenveertigjarige geregistreerde zedendelinquent. In 2006 zes maanden in de gevangenis doorgebracht wegens mishandeling van een vrouw. Hij werkt momenteel bij een plaatselijke apotheek, maar hij doet ook timmerwerkzaamheden in een kleine schuur naast zijn huis.”
“Ah, je hebt vast de laatste memo gemist die Nancy heeft gestuurd,” zei Porter.
“Echt?” Vroeg ze. “Wat heb ik gemist?”
“De klootzak heeft verschillende houten palen achter zijn schuur liggen. Intel zegt dat ze ongeveer even groot zijn als die we in dat maïsveld hebben aangetroffen.”
Mackenzie scrolde door haar e-mails op haar telefoon en zag dat Nancy de memo minder dan tien minuten geleden had verstuurd.
“Klinkt als onze man,” zei ze.
“Absoluut zeker ja,” zei Porter. Hij sprak als een robot, alsof hij geprogrammeerd was om bepaalde dingen te zeggen. Hij keek haar geen enkele keer aan. Het was duidelijk dat hij boos was, maar dat kon Mackenzie maar weinig schelen. Zolang hij die boosheid en koppigheid zou inzetten om de verdachte in hechtenis te nemen, kon het haar niets schelen.
“Ik wil het even over die spreekwoordelijke olifant in de auto hebben.” zei Porter. “Ik was behoorlijk pissig toen je me zo te kak had gezet gisteravond. Maar ik kan niet ontkennen dat je een wonder hebt verricht met je gesprek met dat kind. Je bent scherper dan ik had gedacht. Dat geef ik toe. Maar het gebrek aan respect ... “
Hij maakte zijn zin niet af, alsof hij niet zeker wist hoe hij deze zin moest afmaken. Mackenzie antwoordde niet. Ze keek gewoon vooruit en probeerde het feit te verteren dat ze in de afgelopen vijftien minuten zowaar twee bijna-complimentjes had ontvangen uit twee zeer onwaarschijnlijke hoeken.
Читать дальше