Gwendolyn voelde zijn woorden door haar hoofd galmen, voelde zijn stem resoneren. Ze wist dat ieder woord waar was.
“Mijn mensen zien het niet,” zei ze met een trillende stem.
Argon haalde zijn schouders op.
“Je bent Koningin. Soms moet er kracht gebruikt worden. Niet alleen tegen vijanden, maar ook tegen het eigen volk. Doe wat je kent. Je hoeft niet altijd naar de goedkeuring van je mensen te zoeken. Goedkeuring is een ongrijpbaar iets. Soms, als je mensen je haten, is dat een teken dat je doet wat voor hen het beste is. Je vader was gezegend met een bewind van vrede. Maar jij, Gwendolyn, wordt onderworpen aan een veel grotere test: je zult een bewind van staal hebben.”
Terwijl Argon zich omdraaide om te vertrekken, liep Gwendolyn naar hem toe.
“Argon,” zei ze.
Hij stopte, maar draaide zich niet naar haar om.
“Vertel me nog één ding. Ik smeek het je. Zal ik Thorgrin weer zien?”
Hij pauzeerde, een lange, zware stilte. In die stilte voelde ze haar hart breken, hopend en biddend dat hij haar nog één antwoord zou geven.
“Ja,” antwoordde hij.
Haar hart ging hevig tekeer. Ze verlangde naar meer.
“Kun je me niets meer vertellen?”
Hij draaide zich om en keek haar somber aan.
“Herinner je de keus die je hebt gemaakt. Niet elke liefde is voorbestemd om eeuwig te duren.
Hoog boven haar hoorde Gwen een valk krijsen, en ze keek op.
Toen ze weer naar Argon keek, was hij verdwenen.
Ze trok Guwayne dicht tegen zich aan en keek uit over haar koninkrijk. Ze wilde het zich herinneren zoals het nu was, nu het nog levendig was. Voor het allemaal in as zou veranderen. Ze vroeg zich af wat voor gevaar er schuil ging achter al die schoonheid. Ze huiverde toen ze zich realiseerde dat het niet lang meer zou duren voor ze daar achter zouden komen.
Stara schreeuwde het uit terwijl ze in de verblindende wind en regen door de lucht viel, Reece, Matus en Srog naast haar. Ze zette zich schrap terwijl ze de grote struiken snel op zich af zag komen, en ze besefte dat die struiken haar enige kans waren om deze val te overleven.
Een moment later voelde het alsof alle botten in haar lichaam braken. Ze viel in de struiken—die maar nauwelijks haar val braken—en viel door tot ze de grond raakte. Ze voelde hoe de lucht uit haar longen werd geperst, en ze wist zeker dat ze minstens één rib had gekneusd. Tegelijkertijd besefte ze dat de grond zachter en modderiger was dan ze had gedacht.
De anderen kwamen naast haar op de grond terecht, en de modder gleed onder hen vandaan. Stara had niet geanticipeerd op het feit dat ze op een steile helling terecht zouden komen, en voor ze door had wat er gebeurde waren ze in een modderstroom terecht gekomen.
Ze rolden en gleden op volle snelheid van de berg af. Stara wierp een blik over haar schouder en zag haar vaders kasteel snel uit het zicht verdwijnen. De modderstroom bracht hen snel van hun aanvallers weg.
Stara keek weer voor zich en wist de stenen die op haar pad lagen nog maar net te ontwijken. Ze gleed zo snel dat het haar de adem benam. De modder was ongelofelijk glad, en het begon steeds harder te regenen. Ze probeerde zichzelf af te remmen, maar het had geen zin.
Net toen Stara zich afvroeg of er ooit een einde aan de modderstroom zou komen, werd ze overspoeld door paniek toen ze zich herinnerde waar de helling naar toe leidde: een klif. Als ze niet snel zouden stoppen, besefte ze, zouden ze allemaal dood gaan.
Stara zag dat de anderen ook niet konden stoppen. Ze deden hun uiterste best, maar waren hulpeloos. Stara keek voor zich uit en zag tot haar afschuw de afgrond snel dichterbij komen. Ze konden met geen mogelijkheid stoppen, en stonden op het punt om over de afgrond te gaan.
Ineens zag Stara dat Srog en Matus afweken naar links, richting een kleine grot aan de rand van de afgrond. Op de één of andere manier slaagden ze erin om houvast te vinden met hun voeten, en vlak voor ze over de rand zouden gaan tot stilstand te komen.
Stara probeerde haar hielen in de modder te zetten, maar het werkte niet; ze bleef doorglijden, en begon te schreeuwen, wetende dat ze binnen één seconde van de klif zou storten.
Plotseling voelde Stara hoe ze bij de achterkant van haar shirt werd vastgegrepen. Ze keek op en zag Reece. Hij klampte zich met één arm vast aan een dun boompje, en hield haar met zijn andere arm vast terwijl de modder haar probeerde mee te sleuren. Ze begon steeds verder weg te zakken en bungelde bijna over de rand. Hij had haar val gestopt, maar hij kon haar niet omhoog trekken.
Reece kon haar zo niet blijven vasthouden, en ze wist dat als hij niet los zou laten, ze spoedig allebei de afgrond in zouden vallen. Ze zouden allebei sterven.
“Laat me gaan!” riep ze naar hem.
Maar hij schudde vastberaden zijn hoofd.
“Nooit!” riep hij terug, terwijl de regen over zijn gezicht liep.
Ineens liet Reece de boom los, en greep met beide handen haar polsen vast; tegelijkertijd sloeg hij zijn benen om de boom heen, waardoor hij zichzelf van achteren tegenhield. Hij trok haar met al zijn kracht naar zich toe.
Met een laatste krachtsinspanning slaagde Reece erin om haar opzij te trekken, de stroming uit. Ook Reece rolde naar de grot toe.
Toen ze de veiligheid van de grot bereikten, stortte Stara uitgeput in elkaar. Ze lag met haar gezicht naar beneden in de modder, dankbaar om in leven te zijn.
Terwijl ze daar lag, hijgend, doorweekt, dacht ze niet aan hoe dicht ze bij de dood was gekomen, maar aan Reece. Hield hij nog steeds van haar? Ze besefte dat dat belangrijker voor haar was dan het feit of ze zou leven of sterven.
*
Stara zat bij het kleine vuur in de grot, de anderen vlakbij, en begon eindelijk een beetje op te drogen. Ze keek om zich heen en besefte dat ze eruit zagen als de overlevenden van een oorlog. Ze staarden in de vlammen en warmden hun handen, en probeerden zichzelf te beschermen tegen de aanhoudende regen en de kou. Ze luisterden naar de wind en de regen die buiten tekeer gingen. Het voelde alsof er nooit een einde aan zou komen.
Het was nacht nu, en ze hadden, uit angst om ontdekt te worden, de hele dag gewacht voor ze het vuur hadden aangestoken. Uiteindelijk waren ze allemaal zo koud en moe en miserabel geweest dat ze besloten hadden om het te riskeren. Stara had het gevoel dat er genoeg tijd was verstreken sinds hun ontsnapping—en de kans dat de mannen helemaal naar beneden zouden afdalen was erg klein. Het was te steil en te nat, en als zelfs als ze het erop zouden wagen, dan zouden ze het waarschijnlijk toch niet overleven.
Maar nu zaten ze hier vast, met zijn vieren, als gevangenen. Als ze de grot uit zouden gaan, zouden ze uiteindelijk worden gevonden door een leger van Hoge Eilanders, en die zouden hen doden. Haar broer zou ook geen genade hebben. Het was hopeloos.
Ze zat vlakbij een afstandelijke, peinzende Reece, en dacht na over wat er was gebeurd. Ze had Reece’ leven gered in het fort, maar hij had dat van haar gered op de klif. Gaf hij nog steeds om haar? Op dezelfde manier waarop zij nog steeds om hem gaf? Of was hij nog steeds verbitterd door wat er met Selese was gebeurd? Gaf hij haar de schuld? Zou hij haar ooit vergeven?
Stara kon zich niet voorstellen hoeveel pijn het hem moest doen. Hij zat daar, met zijn hoofd in zijn handen, en staarde verloren in de vlammen. Ze vroeg zich af wat er door zijn hoofd heen ging. Hij zag eruit als een man die niets te verliezen had, als een man die oneindig veel had geleden en zichzelf nog niet had terug gevonden. Een man die verscheurd werd door schuld. Hij zag er niet uit als de man die ze ooit had gekend, de man die gevuld was geweest met liefde en vreugde, die zo snel lachte, die haar had overspoeld met liefde en toewijding. Nu zag hij eruit alsof er binnen in hem iets was gestorven.
Читать дальше