“Waarom zou ik één zetel hoger willen als ik een oude man kan vermoorden en er drie hoger kan?” repliceerde Borion.
Hij dook naar voren, en Ulren moest toegeven dat de jongen snel was. Ulren was in zijn jonge jaren waarschijnlijk sneller geweest, maar dat was inmiddels lang geleden. Hij had echter voldoende tijd gehad om zijn vaardigheden te ontwikkelen, en een man die afstanden goed kon inschatten hoefde niet snel te zijn. Hij gebruikte zijn tot een bal gepropte mantel om Borions zwaard te verstrikken.
“Is dat alles dat je hebt, oude man?” wilde de Vijfde Steen weten. “Trucjes?”
Ulren begon te lachen, en viel midden in zijn lachbui aan. Borion was snel genoeg om naar achteren te springen, maar kon niet voorkomen dat Ulrens zwaard langs zijn borst schraapte.
“Trucjes kun je beter niet onderschatten, jongen,” zei Ulren. “Een man doet alles om te overleven.”
Hij deed een stap naar achteren en wachtte.
Borion stormde halsoverkop op hem af. Natuurlijk deed hij dat. Jongeren reageerden en bewogen in lijn met hun emoties. Ze dachten niet na. Of in elk geval niet voldoende. Borion probeerde sluw te zijn, en gebruikte schijnbewegingen die Ulren al honderd keer had gezien. Dat was het risico van jong zijn: je dacht dat je dingen had uitgevonden, dingen waar al vele mannen mee vermoord waren.
Ulren deed een stap opzij en gooide zijn mantel over de jonge man heen toen hij aanviel. Borion graaide naar de stof in een poging de mantel van zich af te trekken, en op dat moment sloeg Ulren zijn slag. Hij pakte Borions arm vast zodat hij zijn zwaard niet kon gebruiken, en begon te steken.
Hij deed het methodisch, consistent, met het geduld dat hij gedurende jaren van vechten had opgebouwd. Ulren zag het bloed door zijn mantel sijpelen, maar hij stopte niet tot de andere man viel. Hij had mannen van de meest ernstige verwondingen terug zien komen. Hij zou geen risico nemen.
Hij stond daar, hijgend. Het was al erg genoeg geweest om die trappen te beklimmen. Moorden zorgde ervoor dat het voelde alsof zijn longen zouden barsten van de inspanning, maar Ulren liet het niet merken. Hij liep naar Irriens zetel en ging erachter staan.
“Heeft één van jullie bezwaar?” vroeg hij aan Kas en Vexa.
“Alleen vanwege de rotzooi,” zei Kas. “Maar daar hebben we slaven voor, volgens mij.”
“Heil de Eerste Steen,” zei Vexa. Ze klonk niet bijster enthousiast.
Het was een triomfantelijk moment. Bovenal was het het moment waar Ulren jarenlang naartoe had gewerkt. Nu het dan eindelijk zover was, voelde het vreemd om daadwerkelijk in de granieten zetel van de Eerste Steen te gaan zitten.
“Ik heb me Irriens belangen al toegeëigend,” zei Ulren. Hij gebaarde naar waar Borion lag. “Maar voel je vrij om die van de jongen te nemen.”
Dat zouden ze doen. Daar twijfelde Ulren niet aan. Dat was tenslotte hoe deze stad in elkaar zat.
“En we hebben natuurlijk nieuwe Vierde en Vijfde Stenen nodig,” zei Ulren.
Dat had hun teken moeten zijn om een plaats op te schuiven. Maar dat deden ze niet. Ze bleven zitten in de zetels waar ze voor hadden gevochten, en de zetel van de Tweede Steen bleef leeg. Ulren wist niet of hem dat wel beviel, ondanks het feit dat hij wel begrip had voor de angst die erachter zat. Ze schoven niet op, maar dat was een teken dat ze deze situatie niet als afgehandeld beschouwden, en dat ze het niet eens waren met de nieuwe orde.
Ze bleven zitten zoals hij was blijven zitten toen Irrien de macht had gegrepen. En ze gedroegen zich alsof dit allesbehalve voorbij was.
Stephania ontwaakte in een ondraaglijke pijn. Het hele universum leek zichzelf in een bal van pijn in haar buik gepropt te hebben. Het voelde alsof ze aan stukken gescheurd was… maar ja, ze was dan ook opengesneden.
Die gedachte was genoeg om het haar weer te doen uitschreeuwen, en deze keer waren er geen priesters of krijgers om haar ellende aan te horen, alleen de open lucht boven haar, zichtbaar door haar waas van tranen. Ze hadden haar naar buiten gesleept en haar achtergelaten om te sterven.
Het kostte haar al haar kracht om haar hoofd op te tillen en om zich heen te kijken.
Ze wenste meteen dat ze het niet gedaan had. Ze was omgeven door afval, zover het oog reikte. Er lag gebroken keramiek, dierenbotten, glas en meer. Al het puin van het stadsleven strekte zich uit in een ogenschijnlijk eindeloos landschap van wanhoop.
Op dat moment drong de stank tot haar door, ranzig en overweldigend. Ze rook ook de geur van dood, en toen zag Stephania de lichamen, achtergelaten alsof het niets was. In de verte dacht ze brandstapels te zien, maar ze betwijfelde of het de elegante brandstapels waren die ze gewend was. Dit waren waarschijnlijk gewoon kuilen, wachtend op meer lichamen om te verzwelgen.
Stephania wist nu waar ze was. Ze lag op de vuilnisbelt voorbij de stad, waar alle afvalbakken werden geleegd, en waar de armste van de armste mensen speurden naar wat ze ook maar konden vinden. Normaal gesproken eindigden hier alleen lichamen van mensen die zich geen graf konden veroorloven, of criminelen.
Stephania liet haar hoofd weer op de grond zakken, en ze wist niet hoeveel tijd er verstreek terwijl de lucht boven haar hoofd golfde. Alleen haar wilskracht weerhield haar ervan om toe te geven aan de duisternis die haar dreigde te verzwelgen. Ze dwong zichzelf om haar hoofd weer op te tillen en de pijn te negeren.
Er bewogen figuren over de afvalbergen. Ze droegen gescheurde kleren en hun gezichten waren besmeurd met vuil. Veel van hen waren nauwelijks meer dan kinderen, hun voeten in vodden gewikkeld om zichzelf tegen scherpe randen te beschermen.
Конец ознакомительного фрагмента.
Текст предоставлен ООО «ЛитРес».
Прочитайте эту книгу целиком, на ЛитРес.
Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.