Reece liep naast Selese, Illepra, Elden, Indra, O’Connor, Conven, Krog en Serna. Met zijn negenen reisden ze naar het westen, zoals ze al gedaan hadden sinds ze uit het Ravijn waren geklommen. Zijn mensen waren daar ergens aan de horizon, wist Reece, dood of levend, en hij was vastberaden hen te vinden.
Ze waren door een landschap van verwoesting gereisd, eindeloze velden met levenloze lichamen, verkoold door de adem van de draken, bezaaid met aasgieren. De horizon was vergeven met lichamen van het Rijk, waarvan sommigen nog na smeulden. De rook die van hun lichamen af kwam vulde de lucht, en de ondraaglijke stank van verbrand vlees penetreerde het verwoeste landschap. Degenen die niet door de adem van de draken waren gedood hadden de dood gevonden in het gevecht tegen het Rijk. Er waren ook lichamen van MacGils en McClouds. Er waren compleet verwoeste steden en er lag overal puin. Reece schudde zijn hoofd: dit land, dat ooit zo overvloedig was geweest, werd nu geteisterd door oorlog.
Sinds ze uit het Ravijn waren geklommen, waren Reece en de anderen vastberaden geweest om terug te keren naar de MacGil kant van de Ring. Ze hadden geen paarden gevonden en hadden te voet hun weg gevonden door het McCloud gebied. Ze waren de Hooglanden overgestoken, en nu ze het MacGil territorium betraden, zagen ze niets dan verwoesting. Zoals het eruit zag, hadden de draken geholpen om de troepen van het Rijk uit te schakelen, en daar was Reece dankbaar voor. Maar Reece wist niet in wat voor staat hij zijn eigen mensen zou aantreffen. Was iedereen in de Ring dood? Tot dusver leek het daar wel op. Reece wilde niets liever dan zien dat iedereen in orde was.
Elke keer dat ze een slagveld met doden tegenkwamen die niet waren verkoold door de vlammen van de draken, gingen Illepra en Selese van lichaam naar lichaam om hen te controleren. Ze waren echter niet alleen gedreven door hun beroep. Illepra had ook een ander doel: Reece’ broer vinden. Godfrey. En dat was een doel dat Reece met haar deelde.
“Hij is hier niet,” verkondigde Illepra weer. Ze ging staan en keek met een teleurgestelde blik in haar ogen naar het laatste lichaam dat ze net had omgedraaid.
Reece kon zien hoeveel Illepra om zijn broer gaf, en hij was geraakt. Reece hoopte net als zij dat hij in orde was, dat hij bij de levenden hoorde—maar afgaande op de duizenden lichamen die hier lagen, vreesde hij dat dat niet het geval was.
Ze liepen verder de glooiende heuvels door, en toen zagen ze een ander slagveld aan de horizon, dat bezaaid was met nog duizenden lichamen. Ze gingen er naar toe.
Illepra huilde stilletjes. Selese legde een hand op haar pols.
“Hij leeft nog,” stelde ze haar gerust. “Maak je geen zorgen.”
Reece kwam bij hen lopen en legde een geruststellende hand op haar schouder.
“Als er één ding is dat ik weet van mijn broer,” zei Reece, “is het dat hij een overlever is. Hij weet aan alles te ontsnappen. Zelfs aan de dood. Ik beloof het je. Godfrey zit nu waarschijnlijk al ergens in een taverne dronken te worden.”
Illepra lachte door haar tranen heen, en veegde haar ogen af.
“Ik hoop het,” zei ze. “Voor het eerst hoop ik dat echt.”
Ze vervolgden hun sombere mars door de woestenij, allemaal verloren in hun eigen gedachten. Beelden van het Ravijn spookten door Reece’ hoofd; hij kon ze maar niet van zich af schudden. Hij dacht terug aan de wanhopige situatie waar ze zich in hadden bevonden, en hij werd overspoeld door dankbaarheid voor Selese; als zij toen niet was verschenen, zouden ze nu nog steeds daar beneden zitten, hoogstwaarschijnlijk allemaal dood.
Reece strekte zijn arm uit en pakte Selese bij haar hand. Hij glimlachte naar haar terwijl ze hand in hand verder liepen. Reece was geraakt door haar liefde en toewijding aan hem, door haar bereidwilligheid om het land door te reizen om hem te redden. Hij werd overspoeld door een golf van liefde voor haar, en hij kon niet wachten tot ze alleen waren en hij het haar kon vertellen. Hij had al besloten dat hij voor altijd bij haar wilde blijven. Hij had nog nooit zoveel loyaliteit voor iemand gevoeld, en hij zwoer dat zodra ze een moment voor zichzelf hadden, hij haar ten huwelijk zou vragen. Hij zou haar zijn moeders ring geven, de ring die ze aan hem had gegeven om aan de liefde van zijn leven te schenken, wanneer hij haar vond.
“Ik kan niet geloven dat je alleen voor mij door de Ring bent gereisd,” zei Reece tegen haar.
Ze glimlachte.
“Het was niet zo ver,” zei ze.
“Niet ver?” vroeg hij. “Je hebt je leven geriskeerd om een door oorlog geteisterd land te doorkruizen. Ik ben je veel verschuldigd. Meer dan ik kan zeggen.”
“Je bent me niets verschuldigd. Ik ben alleen blij dat je nog leeft.”
“We zijn allemaal ons leven aan je verschuldigd,” viel Elden bij. “Je hebt ons allemaal gered. We zouden voor altijd in het Ravijn vast hebben gezeten.”
“Over schulden gesproken, ik moet er nog één met jou bespreken,” zei Krog tegen Reece, die naast hem kwam strompelen. Sinds Illepra zijn been had gespalkt bij het Ravijn, had Krog zelfstandig gelopen, al was het dan wat stijfjes.
“Je hebt me gered daar beneden, en meer dan eens,” vervolgde Krog. “Het was behoorlijk stom van je, als je het mij vraagt. Je hebt het toch gedaan. Maar denk niet dat ik je iets verschuldigd ben.”
Reece schudde zijn hoofd, verrast door Krogs norsheid en zijn ongemakkelijke poging om hem te bedanken.
“Ik weet niet of je me nu tracht te beledigen of te bedanken,” zei Reece.
“Ik heb mijn eigen manier,” zei Krog. “Ik zal je vanaf nu dekken. Niet omdat ik je mag, maar omdat ik vind dat ik dat moet doen.”
Reece schudde zijn hoofd, zoals altijd verbijsterd door Krog.
“Maak je geen zorgen,” zei Reece. “Ik mag jou ook niet.”
Ze liepen verder, allemaal ontspannen, blij om nog in leven te zijn, om weer vaste grond onder hun voeten te hebben, om weer aan deze kant van de Ring te zijn—allemaal behalve Conven, die op een afstandje van de anderen liep, teruggetrokken in zichzelf, zoals hij was geweest sinds de dood van zijn tweelingbroer. Niets, zelfs niet een ontsnapping aan de dood, leek hem terug te kunnen halen.
Reece dacht terug aan hoe Conven zichzelf keer op keer roekeloos de strijd in had gegooid, en zichzelf bijna de dood in had geholpen om de anderen te redden. Reece kon het niet helpen, hij vroeg zich af of het eerder kwam door een verlangen om zichzelf te doden dan om de anderen te helpen. Hij maakte zich zorgen om hem. Reece vond het maar niets om hem zo verloren te zien, zo depressief.
Reece ging naast hem lopen.
“Je hebt geweldig gevochten daar,” zei Reece tegen hem.
Conven haalde alleen zijn schouders op en staarde naar de grond.
Reece zocht naar iets om tegen hem te zeggen terwijl ze zwijgend verder liepen.
“Ben je blij om weer thuis te zijn?” vroeg Reece. “Om vrij te zijn?”
Conven draaide zich om en staarde hem uitdrukkingsloos aan.
“Ik ben niet thuis. En ik ben niet vrij. Mijn broer is dood. En ik heb het recht niet om zonder hem te leven.”
Reece voelde een rilling over zijn rug lopen bij zijn woorden. Het was overduidelijk dat Conven nog steeds overspoeld was met verdriet; hij droeg het als een symbool van eer. Conven was als een levende dode. Zijn ogen waren leeg. Reece herinnerde zich hoe vrolijk hij ooit was geweest. Hij kon zien dat hij in diepe rouw was, en hij had het onheilspellende gevoel dat het niet meer weg zou gaan. Reece vroeg zich af wat er van Conven terecht zou komen. Voor het eerst leek het hopeloos.
De uren gleden voorbij, en ze bereikten weer een slagveld dat vergeven was van de lijken. Illepra en Selese en de anderen gingen uit elkaar en liepen van lichaam naar lichaam om ze om te draaien, op zoek naar een teken van Godfrey.
Читать дальше